Coronapoëzie

Binnen Universiteit Gent ontstond in 2020 het initiatief om in tijden van corona brieven te schrijven ten aanzien van de universitaire gemeenschap. Ik schreef onderstaande brief, die op gedichtendag (28/1/2021) werd verspreid.

Beste UGent’ers,

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: poëzie is van het grootste belang voor het bestrijden van de coronapandemie. De reden is niet dat woorden een biologische efficiëntie zouden bezitten. Een injectie poëzie doodt geen virussen, ook al zijn de klinkers nog zo treffend gekozen. Zelfs met een hele bundel krijg je geen Britse, Zuid-Afrikaanse of Gentse varianten klein. Gedichten zijn nu eenmaal lichtelijk onaangepast aan het echte leven en precies daarom zo van cruciaal belang.

Vorige week zag ik in het journaal een verslag uit Londen. Een verpleegkundige stond huilend in de gang: haar ziekenhuis kan de toevloed niet aan. Zij en haar collega’s worden hopeloos van zoveel machteloosheid en ze zijn moe van zoveel inspanning. Iedereen goede zorgen bieden lukt niet meer, maar hoe kies je dan tussen patiënten? Tussen de velen met ernstige corona en al die anderen die te lang thuis moeten blijven, wachtend tot covid opnieuw wat geweken is. Even later kwam een oudere man in beeld. Zijn echtgenote was een half uur voordien gestorven. Huilen kon hij nog niet. Hij was nog aan het vechten. De strijd was verloren, maar hij stond er nog, alleen, en kwaad op wie zich niet aan de maatregelen houdt. Op hetzelfde moment protesteerde een groepje non-believers aan de voordeur van datzelfde ziekenhuis. Vurige zielen die menen dat corona een fictie is, en voor wie de preventiemaatregelen een aanslag op hun vrijheid zijn. 

Ik zag bijzonder weinig poëzie in die situatie. Het was verdeeldheid troef. De tegengestelde reacties troffen me. Hoe kan het toch dat twee groepen mensen zo verschillend reageren op een risico dat elk van ons kan vellen?

Wellicht hangt die verdeeldheid heel sterk samen met onzekerheid. Over het coronavirus is er vooral heel veel dat we nog niét begrijpen. De ene patiënt heeft nauwelijks symptomen terwijl de andere sterft, ook al is hij jong en leefde hij sportief en gezond. Dokters snappen de infectie niet altijd zo goed. Het virus muteert er op los, dus hinkt onderzoek altijd achterop. De oude Grieken zouden in zo’n situatie hun goden aanroepen en orakels smeken om verklaringen. Het noodlot vraagt nu eenmaal om antwoorden. Vandaag zijn die goden dood en gaan we de onzekerheid te lijf met cijfers en kansberekening. Wellicht is het onze verstandigste zet: met wetenschap en doorzettingsvermogen het virus proberen inperken. 

Tegelijk vormen die cijfers geen sluitende waarheden. Wie meet, heeft een foutenmarge. En wie kansen berekent, werkt met waarschijnlijkheden. Grossieren in zekerheden is niet aan de orde in de wetenschap. Dit is lastig om dragen. Kijk maar naar hoe mensen reageren op quarantaines en social distancing. Die maatregelen zijn nuttig omdat ze risico’s beperken en sommigen redden van de dood. Tegelijk doorkruisen ze alle leefgewoontes en confronteren ze ons ook met eenzaamheid, doelloosheid en ongenoegen. Of we het nu willen of niet: de non-believers zijn de spreekbuis van dit nieuwe ongenoegen en we staan voor de opdracht om een plek te geven aan de onrust die ze uitschreeuwen. 

Een extra dosis cijfers is daarbij niet de oplossing. Verder heeft het ook geen zin om dat nieuwe ongenoegen te negeren of te verbieden. Dat lukt toch niet. Mensen worden daar hopeloos en agressief van. Het nieuwe ongenoegen vraagt om creatieve antwoorden die zorgen voor verbondenheid in plaats van onderlinge haat. Poëzie kan daarbij helpen, net zoals allerlei andere volstrekt ‘nutteloze’ activiteiten die luisteren naar de naam ‘kunst’. Creatieve actie geeft namelijk een twist aan wat eerst ondragelijk was.

En dan nu concreet. Afgelopen zaterdag was ik voor examentoezicht een halve dag in Hal 5 van Flanders Expo. Met ongeveer 450 waren ze, mijn studenten uit de 3e bachelor psychologie. Ik kon de onwennigheid voelen. Iedereen had elkaar veel te lang niet gezien. Het was hun onwennigheid, het was mijn onwennigheid. Kriskras dolend tussen de tafels las ik af en toe een regel uit een bundel van Leonard Nolens en toen botste ik op dit gedicht: 

QUARANTAINE

Hoe spelen wij het klaar om straks weer plaats te nemen

In uw blikveld ginder? Kijkt u door ons heen en

Schakelt uw stap in zijn hoogste versnelling om ons te mislopen?

Ook wij zijn als de dood om u een hand te geven.

Leonard Nolens schreef dit kort na een opname in de psychiatrie. Elke regel belichaamt de naweeën van zijn isolement. Het sociaal contact dat daarop volgt is onwennig. Ik kreeg het instant een beetje warm door die woorden. Het gedicht benoemt mooi wat velen nu ervaren. Ik dacht aan de eenzaamheid van mijn studenten. De voorbije weken konden ze enkel online interageren en in het beste geval binnen een kleine bubbel studeren. Geen discussies na de les, geen praatjes in de gangen van de Dunantlaan. 

Poëzie leidt niet tot doorbraken in de wetenschap en doodt ook geen virussen. Geen enkele kunst vermag dat. Poëzie stelt ons enkel in staat om de breekbaarheid van het leven beter te hanteren. En ja, in tijden van corona is dat al heel wat. Dus, vergeet vooral niet om tijdens deze donkere dagen veel boeken te lezen en zodra het kan ook viool te spelen op de stoep. Mensen worden daar beter van.

Vele groeten

Stijn Vanheule

Posted in Geen categorie | Tagged , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Coronapoëzie

Ratched: mooi, maar problematisch

Ik schreef voor De Standaard van 15 december 2020 een stuk over de stereotypering van psychiatrische problemen in series als Ratched en films als Joker. Zie onder en op hun website:

In het lijstje met de beste tv-series staat Ratched helemaal bovenaan (DS 12 december 2020). ‘Serie van het jaar’, stelt de krant. ‘Prachtig, verrassend, inventief, en bevat meer goeie vrouwenrollen dan alle andere fictie van 2020 samen.’ Ideaal om onze corona-moeheid even te vergeten.

IJzersterk gemaakt is de Netflix-reeks Ratched zeker. Het mierzoete fiftiessfeertje verleidt, en maker Evan Romansky zet de verdorvenheid van de menselijke geest meesterlijk in scène. Toch heb ik er een probleem mee. Net zoals met de film Joker. Die kreeg dit jaar elf Oscar-nominaties en verzilverde er twee. Ook Joker is prachtig, verrassend en inventief gemaakt. Dit keer niet met een gestoorde verpleegster en haar krankzinnige patiën­ten in de hoofdrol, maar met een schizofrene man die wankelt tussen waan en werkelijkheid. Als geschifte clown doolt hij rond in New York, tot hij dood en verderf zaait, zonder een greintje schuld­gevoel te hebben.

Daar zit mijn probleem. Al die mooi ogende en spannende uren kijkplezier tonen­ elke keer het stereotiepe denkbeeld dat iemand met een ernstige psychiatrische problematiek gevaarlijk zou zijn voor zijn medemensen. Dat is niet zo. Roekeloze autobestuurders of afgewezen liefdespartners maken aanzienlijk meer slachtoffers en zijn veel dodelijker. Onderzoek naar extre­me geweldenaars leert dat psychiatrische aandoeningen niet frappant meer voorkomen bij hen.

Ratched en Joker indoctrineren ons met de foutieve opvatting dat dat wel het geval zou zijn. Ze staan daarin niet alleen. Geregeld verschijnt een topfilm die ons dat doet geloven. Figuren als Hannibal Lecter in The silence of the lambs, John Doe in Seven, of Daniel Plainview in There will be blood spelden ons hetzelfde verhaaltje op de mouw. Uiteindelijk nemen we dat vooroordeel al te veel voor waar aan en worden we bang van de schrikbeelden die we collectief eerst zelf creëerden.

Indien er al een verband is tussen waanzin en geweld, dan gaat het bovenal een onverwachte richting uit. Mensen met een ernstige psychiatrische aandoening zijn opvallend vaak het mikpunt van de agressie van ‘normale anderen’. Ze hebben vier tot tien keer meer kans om slachtoffer te worden van misdaden en geweldpleging.

In alle geval, als je naar Ratched kijkt: vergeet niet om de stereotiepe beeldvorming over geweld en psychiatrie te doorprikken. In de tussentijd wacht ik geduldig op meer cinema en series die prachtig, verrassend en inventief in beeld brengen wat psychi­atrische aandoeningen wél zijn.

Posted in Geen categorie | Tagged , , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Ratched: mooi, maar problematisch

Subjectiviteit in de geneeskunde

Ik bracht onderstaande tekst op de gespreksavond ‘denk-zorg’ van UZ Gent op 23 september 2020. Vervolgens verscheen deze ook als column in de Artsenkrant.

De waarheid heeft vaak verschillende gedaanten. Dat is in de medische zorg niet anders. Iedereen die zorgt, of het nu is voor zichzelf of voor anderen, botst op ethische dilemma’s: netelige vraagstukken die je als mens uitdagen.

Amber en Karen weten daar alles van.

Amber is 40. Ze heeft een zware chemotherapiekuur achter de rug en sukkelt met restklachten. Haar bloedwaarden zijn goed, maar ze is vermoeid en slaagt er niet in om het levenstempo van vroeger terug te vinden. Uren aan één stuk door geconcentreerd werken lukt niet meer. Objectief heet het dat ze cognitieve klachten heeft. Aandachtsproblemen.

Op een dag zit Amber op een bankje in de speeltuin. Haar dochter druk in de weer: schommelen, glijden, klimmen. Zijzelf alweer eens verstrooid. Zonder dat ze het wist was het plots een uur later en moesten ze snel naar huis. Maar waar was Amber in die tussentijd?

Ze was even op stap in haar hoofd. Ze zat te mijmeren: Zal ze later een grootmoeder zijn die met haar kleinkind naar de speeltuin gaat, of is ze tegen dan al lang dood? En als ze dood is, gaat haar man dan tijd maken om er echt te zijn voor de kinderen en met hen praten over hun kleinemensenzorgen en hun puberproblemen? Want ja, zou het niet kunnen dat ze volgend jaar hervalt en die keer géén geluk heeft?

Ambers objectieve werkelijkheid is dat haar lichaam herstelt van borstkanker en chemotherapie. Haar werkelijkheid is ook die bundel op het bureau van de oncoloog, vol statistieken met risico’s op herval en op een vroegtijdige dood.

Zo’n werkelijkheden bestaan niet op zichzelf. Ze zinderen na in de verbeelding. De objectiviteit van de ziekte resoneert met de subjectiviteit van mogelijke werelden die opduiken in Ambers gedachten. Een wereld waarin ze vroeg sterft en een wereld waarin ze haar dochter volwassen ziet worden. Een wereld waarin ze samen met haar man voor de kinderen zorgt en een wereld waarin hij er alleen voor staat.

Karen is arts. Op een zondag is ze van dienst en wordt ze opgeroepen voor een consultatie. Een oudere dame is net opgenomen omwille van hartritmestoornissen. Het beeld is niet verontrustend en de routinezorg voor dat soort problemen wordt opgezet. Karen spreekt de panikerende dochter van mevrouw kordaat toe. Morgenochtend komt ze opnieuw langs en overleggen ze rustig over de volgende stappen. Alles onder controle.

Die nacht overlijdt de dame en ’s ochtends snauwt de dochter Karen op de gang reeds toe. ‘Slechte zorg’, ‘geen tijd omdat het weekend was zeker?’. Dat soort woorden. Karen kookt vanbinnen. Liefst wou ze de dochter stevig op haar plaats zetten, maar zoiets doe je niet met een nabestaande. Toch? En ja, heeft ze effectief iets over het hoofd gezien, of hoeft ze zichzelf niets te verwijten? Lastige vragen, die haar nachtrust grondig verstoren en knagen aan haar professionele identiteit. Is ze wel een goede dokter?

Elke zorgverlener draagt wel zo’n aantal situaties met zich mee. Situaties waarbij medische incidenten nazinderen in de beleving. Ethisch beladen situaties, die de zorgverlener doen twijfelen. Heb ik wel goed gehandeld?  Opnieuw hebben we dan te maken met subjectiviteit.

Net zoals Amber beleeft Karen trouwens niet één scenario in haar hoofd. Vele gedachten en bezorgdheden wisselen elkaar af. Vaak zijn die tegenstrijdig. Doemscenario’s vol schuldgevoel, beelden van zichzelf als assertieve arts, begrip voor de boze dochter, herinneringen aan de machteloosheid bij de ziekte van haar eigen moeder.

En nu heb ik een vraag: mogen Amber en Karen in het ziekenhuis spreken over hoe ziekte en behandelingen hun belevingswereld overhoop halen? Over hoe ze als mens geraakt worden?

Liefst willen we uiteraard hebben dat wetenschap zoveel als mogelijk vertelt wat er in de geneeskunde moet gebeuren. We willen geen fouten maken; we willen geen willekeur. In de scan van mijn longen herken ik niet graag de hand van de radioloog.

Maar subjectiviteit en ethiek zijn niet het tegenovergestelde van objectiviteit. Ze hangen er ten nauwste mee samen. Feiten doen ons nadenken over wat echt telt in een mensenleven; over wat we rechtvaardig vinden voor onszelf en voor anderen.

De medische werkelijkheid staat niet op zichzelf. Ze zindert na in de hoofden van iedereen die echt betrokken is: patiënt, familie, hulpverlener. Die impact is niet louter rationeel. Patiënten krijgen in hun belevingswereld te maken met angst, schuld en kwaadheid. Voor professionele zorgverleners geldt dat ook. Zij botsen op onmacht en moeten moeilijke keuzes maken die soms zwaar ingrijpen op het leven van anderen.

Vragen zonder vaststaand antwoord; machteloosheid; meningsverschillen; oplopende emoties: het hoort erbij en ze hoeven niet buiten beeld te blijven. Als we die subjectieve belevingen niet durven te benoemen en dat soort bedenkingen niet beluisteren, dan voelen mensen zich miskend en als mensen zich miskend voelen dan haken ze af. Daar heeft niemand baat bij.

Subjectiviteit is dan ook een bijzondere klant in de geneeskunde: hij is niet ziek en toch moet hij goed verzorgd worden.

Posted in geneeskunde, subjectiviteit | Tagged , , | Reacties uitgeschakeld voor Subjectiviteit in de geneeskunde

Narcisme, levensstijl en agressiviteit bij Facebook

Op Radio 1 vertelde ik op 4 februari 2019 in het programma “De Wereld van Sofie” in een interview met Sofie Lemaire iets over Facebook, beeldcultuur, narcisme en agressiviteit. Opnieuw te beluisteren via hun site, of hier:

Posted in interview | Reacties uitgeschakeld voor Narcisme, levensstijl en agressiviteit bij Facebook

Herstel als existentiële en relationele uitdaging

Herstel is een buzzwoord: een modewoord zonder specifieke betekenis. Waarschijnlijk wordt het precies daarom zo gemakkelijk in de mond genomen. Of het nu gaat om beleidsmedewerkers, professionals of zorggebruikers: iedereen is gewonnen voor herstelgericht werken. Maar wat verstaan we precies onder ‘herstel’?

Het zijnstekort als uitgangspunt

Vanuit mijn theoretisch referentiekader beschouw ik herstel als een existentiële uitdaging én als een proces in verhouding met de ander. In deze tekst werk ik deze kerngedachte uit. Ik begin met een stuk theorie. Vervolgens beschrijf ik wat deze theorie te bieden heeft voor het denken over herstel.

Mijn inspiratiebron is het werk van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Bij hem haal ik een specifieke visie op het symptoom en op de band met de ander. Ik zal toelichten dat het symptoom een zelfbevraging met zich meebrengt, en dat onze verhouding met de ander eigenlijk getuigt van een wanverhouding waar we vorm moeten aan geven.

Wat is een symptoom?

Binnen het biomedische model is het symptoom een teken van ziekte. De verklaring voor het symptoom is de ziekte of de stoornis. De ambitie van de biomedische benadering is een weten over die ziekte of stoornis ontwikkelen dat op velen van toepassing is. Vandaar de zoektocht naar het ontregelde brein, het zieke organisme of het kwetsbaar makende gen als vermeende oorzaak van een psychische problematiek.

Interventies bewandelen binnen dit model de omgekeerde weg. Ze zijn er op gericht om de ziekte weg te werken, of op zijn minst de verstoorde processen in het lichaam te onder- drukken. Binnen die visie is het symptoom een defect dat hersteld moet worden. Lukt het om degelijk herstel te bewerkstellingen, dan verdwijnen de symptomen.

Psychoanalytisch meen ik ook dat symptomen kunnen verdwijnen. Ik benader het symptoom echter niet vanuit de ziekte, maar vanuit de ontwrichting die ze met zich meebrengt. Psychische problemen zoals hallucinaties, terugkerende zwarte gedachten of diepe angst – allemaal symptomen – stellen onze zelfervaring in vraag. Ze maken ons duidelijk dat we in de aansturing van ons psychisch leven niet zomaar aan het stuur zitten: in de intimiteit van onze eigen geest spelen tendensen die er voor zorgen dat we uitgerekend onszelf vreemd vinden.

Psychische problemen zijn bovendien ervaringen die we via onze wil of goede intenties niet zo maar onder controle krijgen. Ze getuigen van het andere in onszelf. Dit ontlokt een existentievraag; met name de vraag naar wie of wat ik precies ben. Lacan exploreerde dit probleem grondig.

Vier zijnsvragen maken ons kwetsbaar

Aan de basis van onze zelfervaring ligt een primair gemis. De mens wordt niet geboren als harmonieus wezen, maar met een zijnstekort. Dit zadelt ons op met een fundamentele kwetsbaarheid. De filosoof Friedrich Nietzsche schreef het reeds: de mens is een ziek dier. Onze instincten zetten weliswaar aan om te overleven, maar ze leren ons niet hoe we het leven moeten leven. Dit niet-weten vormt een centrale kwetsbaarheid voor ons allemaal.

Via opvoeding nemen we omgangsvormen en ideeën over vanuit de ons omringende cultuur. Zo weven we een web aan gedachten over dat zijnstekort. We zoeken en vinden in meerdere of mindere mate antwoorden om het leven te kunnen leven. Deze gedachten vormen een vangnet waar we op sleutelmomenten een beroep op doen. Bij de ene gaat dat vlotter dan bij de andere, omdat die zich veel vrijer beweegt in de wereld van de ideeën. Erge levensomstandigheden of pijnlijke gebeurtenissen kunnen bovendien gaten slaan in dit vangnet van gedachten, waardoor we ons vertrouwen verliezen, en er helemaal alleen voor staan.

Vier thema’s staan in onze ervaring van een zijnstekort centraal. Het zijn existentiële thema’s, die gaan over de vraag hoe we ons in het bestaan bewegen.

Het eerste thema gaat over man of vrouw zijn. We worden biologisch weliswaar in een bepaald lichaam geboren, maar van nature uit is het niet evident om onszelf man of vrouw te voelen. Samenleven met een lichaam is soms moeilijk. We ervaren onzekerheid en pijn wanneer ons lichaam ons verwart, in het bijzonder op het punt van onze seksuele identiteit. Uit onze cultuur, sociale contacten en opvoeding putten we antwoorden om met de vraag naar het man-zijn en vrouw-zijn om te gaan. We leren er praktijken die ons handelen aansturen. Soms lijken deze antwoorden echter niet adequaat. We raken verstrikt in het web van onze antwoorden of door omstandigheden, zoals trauma, wordt een gat geslagen in ons mentale vangnet. Psychische problemen kunnen de uitdrukking zijn van die confrontatie en de worsteling die er mee gepaard gaat. Vandaar dat we symptomen niet zomaar moeten wegvegen. Veel beter is het om aandachtig te luisteren naar wie psychisch lijdt en met hem of haar te onderzoeken wat er het leven zo moeilijk maakt. Naasten kunnen in dat proces betrokken worden, maar het laatste woord hierover moet liggen bij wie het probleem ondergaat.

Soms vraagt een symptoom om verlichting. Dan moeten we helpen om minder te lijden, bijvoorbeeld met medicatie. Voorbij deze eerste actie moeten we echter vooral beluisteren wat iemands leven zo moeilijk te leven maakt, zodat er kan worden nagedacht over aanpassingen en verandering.

Ons relationele leven vormt een tweede zijnsvraag. De filosoof Schopenhauer vergeleek mensen met stekelvarkens. Enerzijds hebben we de behoefte om dicht bij elkaar te zijn, maar wanneer die te dicht komt zijn andermans’ stekels al gauw pijnlijk. In ons relationele leven zit geen natuurlijke balans. Bovendien krijgen we te maken met de seksualiteit van onszelf en anderen, wat ons beroert en kwetst.

Ook dit is voor de mens geen natuurlijke evidentie. Opnieuw zoeken we antwoorden via opvoeding, samenleving en cultuur. Alle denkbeelden ten spijt, blijven we ook op dit punt evenwel kwetsbaar. Omstandigheden, gebeurtenissen en beslissingen binnen onze levensloop kunnen het leven soms een wrange smaak geven.

Hetzelfde patroon vinden we trouwens ook terug bij de vol- gende aspecten van zijnstekort.

Een derde existentiële kwestie gaat over ouderschap voor een kind, en kind-zijn in verhouding tot een ouder. Ook hier krijgen we te maken met zijnsonzekerheid. Ruimer straalt deze af op hoe we in ons leven omgaan met autoriteit en aansturing.

Het vierde existentiële punt is dat we leven in het licht van de dood. Elk lichaam sterft, en dit gegeven doet ons de vraag stellen naar hoe we de tijd tussen geboorte en dood invullen en hebben ingevuld. Niemand weet exact hoe een zinvol leven te leiden. Precies omwille van dit niet-weten zoeken we naar iets zinvols om in te geloven.

Psychische kwetsbaarheid

Deze vier vragen liggen aan de basis van de levenskeuzes die we maken. Dit wil niet zeggen dat we altijd zo bewust met die keuzes bezig zijn. In hoe mensen leven, keren die vier existentiële thema’s evenwel terug als rode draad. Meer nog, ze vormen de kern, of beter gezegd de leegte waarrond onze psychische kwetsbaarheid draait.

In het hedendaagse taalgebruik wordt het woord psychische kwetsbaarheid vaak te categoriaal gebruikt. Het lijkt alsof er, naast de psychisch kwetsbaren, een deel van de bevolking niet kwetsbaar is. Larie en apekool. We hebben allemaal af te rekenen met psychische kwetsbaarheid. De ene persoon kan daar makkelijker mee om dan de andere, omdat die door reële levensomstandigheden minder gekwetst of uitgedaagd is, of meer passende antwoorden heeft gevonden.

Een psychische crisis is in die zin altijd weer zowel een uitdaging als een nieuwe kans. Het is een uitdaging omdat die ons laat voelen hoe kwetsbaar we zijn, en hoe weinig controle we hebben over onszelf en over onze omstandigheden. Dit kan een diep lijden berokkenen. Het is tegelijkertijd een kans om nieuwe antwoorden te zoeken op oude uitdagingen (de existentiële kwesties) in nieuwe contexten (ons huidige leven).

Herstel als existentieel proces: IK 2.0

Zo kom ik bij een eerste betekenis die ik geef aan het begrip herstel. Mensen herstellen wanneer ze in hun leven niet langer weggevaagd worden door de existentiële uitdagingen die hen beroeren; wanneer ze zinvolle antwoorden of werkbare praktijken voor hun handelen kunnen vinden.

Voor sommigen wil dat zeggen dat de band met de ouders her- zien moet worden, voor anderen dat opgelopen trauma’s een nieuwe plek krijgen en voor nog anderen dat ervaren uitdagingen (geboorte van een kind, scheiding van partner …) een plaats vinden in het leven. Herstellen doen we wanneer we een nieuw web kunnen weven boven de leegte van het zijnstekort. Iets van de continuïteit in de ervaring van onszelf en anderen moet worden hersteld.

Psychische problemen zijn spontane eerste reacties op confrontaties met pijnlijke levenspunten en levenskeuzes. Het zijn reacties van een psychisme dat een antwoord en een evenwicht zoekt op wat verstorend werkt. Herstelgericht werken wil daarom zeggen dat we mensen tijd en ondersteuning geven bij het begrijpen van wat er speelt en bij het zoeken naar nieuwe antwoorden. Op die manier is herstel een existentieel proces.

Dit existentiële herstel bouwt voort op het mentaal doorwerken van uitdagingen en problemen. Wie herstelt, gaat zichzelf op een nieuwe plek in de wereld positioneren. Afhankelijk van de existentiële uitdaging waar ik voor stond, zal ik op een andere manier omgaan met kwesties als seksuele identiteit, partnerrelaties en vriendschap, ouder-kind relaties enzovoort. Wie herstelt, vindt zichzelf opnieuw uit: IK 2.0.

Inventiviteit en creativiteit

IK 2.0 ontstaat niet zomaar uit het niets. Creativiteit en inventiviteit zijn twee manieren om te reageren op situaties die geen vaststaand antwoord kennen; op situaties die gekenmerkt worden door een tekort. Vandaar dat ze ook in onze omgang met het centrale zijnstekort van cruciaal belang zijn. Tradities en het inspirerende voorbeeld van anderen kunnen ons weliswaar op weg zetten in onze vormgeving van het leven, maar hun bruikbaarheid is steeds ook beperkt. Creativiteit en inventiviteit zijn belangrijk omdat ze ons toestaan om anders te antwoorden.

Als typerend voorbeeld voor wat creativiteit is, verwijst Lacan naar de pottenbakker. Met behulp van een homp klei slaagt die er in om de leegte in te kapselen in de buik van een vaas. Wat we zien is de vaas, maar deze bestaat slechts omwille van de lege ruimte die ze afbakent. Zo’n creatieve act komt voort uit de kunde van de ambachtsman. Creativiteit heeft daarnaast ook te maken met het zoeken naar variatie; variatie in hoe we vorm kunnen geven aan de vaas.

Creativiteit in de omgang met het zijnstekort wil zeggen dat elk van ons op zoek gaat naar eigen vormgevingen; eigen manieren om het leven te leven.

Inventiviteit is radicaler en wil zeggen dat men komt opdraven met radicaal nieuwe antwoorden. Einstein was een inventieve geest. Hij veegde bestaande opvattingen in de fysica van de tafel en poneerde iets nieuws. De Ierse schrijver James Joyce was ook inventief. Hij ontbond en reconstrueerde het Engels om vervolgens op een manier te schrijven die niemand hem had voorgedaan.

Psychische problemen kunnen ook nopen tot inventiviteit. Wie compleet van de kaart is door een psychische crisis, heeft geen boodschap aan de oude antwoorden en patronen.

Gezien dit grote belang van creativiteit en inventiviteit is het van ongelooflijk belang dat we bij het werken aan herstel inspelen op de affiniteiten van wie psychisch lijdt. We moeten zoeken tot welke activiteiten en expressievormen iemand zich aangetrokken voelt. Het is vaak door met die expressievormen te spelen en ze te verdiepen, dat men opnieuw een eigenheid kan vinden die bekoort.

Een prachtig voorbeeld daarvan vinden we in de documentaire Life Animated van de Amerikaanse journalist Ron Suskind. Hij brengt er het verhaal van zijn zoon Owen, die op driejarige leeftijd wegzonk in een geïsoleerde autistische leefwereld. Welhaast per toeval ontdekt de vader dat hij contact krijgt met zijn zoon indien hij hem aanspreekt als was hij een figuurtje uit een tekenfilm van Disney. Kleine Owen, die tot dan toe compleet gefascineerd was door de Disneyfilms, krijgt op die manier contact met zijn omgeving. Eerst door inventief de wereld te bekijken vanuit een Disneybril en vervolgens door creatieve varianten te vormen op de scenario’s van Disney. Owen Suskind heeft een verstandelijke achterstand ten aanzien van leeftijdsgenoten, maar door zijn affiniteiten te volgen vindt de kleine jongen een eigen weg.

De documentaire leert dat de weg naar herstel wordt geopend door zich toe te leggen op eigen affiniteiten in het leven. Door je interesses en passies te volgen, kan je manieren vinden om uitdrukking te geven aan wat je beroert. Uiteraard loopt dat veelal niet van een leien dakje en is het maar al ploeterend dat we een eigen weg uittekenen.

Het leven is ploeteren

Het goede nieuws is dat dit niet erg is. Ons uitgangspunt van het zijnstekort houdt in dat het automatisch passende leven niet bestaat; voor niemand. Slechts door creatief en inventief te ploeteren, kunnen we een plek vinden.

Iemand die een diepe psychische crisis doormaakt(e), voelt die basiswaarheid echter veel sterker aan. Wanneer we psychisch stabiel zijn, beheersen mensen veelal de kunst om naar het leven te kijken met oogkleppen. We beschouwen het leven dan vanuit een reeks evidenties. Om het met een flauwe grap te stellen: wanneer we psychisch stabiel zijn, is het leven evidence-based. Allerlei aannames en vooringenomenheden, sturen ons handelen dan aan. Wanneer we psychische problemen hebben, is dat niet het geval. We hunkeren dan naar evidenties, maar een eigen weg vinden we pas door een te banen. Op dat moment beseffen we dat het leven struggle-based is. Ploeteren is ons lot.

Het antwoord dat we op die manier kunnen vinden, schiet echter per definitie tekort. We zwoegen en zoeken omdat er geen standaardantwoord bestaat. Elk antwoord dat we kunnen verzinnen is nooit het antwoord en slechts een antwoord. Dit zorgt voor een blijvend onbehagen. De ene voelt dit sterker aan dan de andere.

Dit wil niet zeggen dat herstel louter een psychologische kwestie zou zijn. De documentaire Life Animated toont het tegenovergestelde. Bij het werken aan herstel hebben we nood aan helende contacten en aan een omgeving die het zoekproces ondersteunt.

Herstel binnen een verbindend netwerk

Zo kom ik terecht bij mijn tweede hoofdpunt, met name de idee dat elke band met de ander bij nader inzien getuigt van een wanverhouding.

De mens wordt hulpeloos geboren met zijn zijnstekort. Alleen redden we het niet, wat ons enorm afhankelijk maakt van hen die ons omringen. Die anderen weten evenwel ook niet spontaan hoe ze met dat kleine wezentje moeten omgaan. Ouders worden affectief bewogen door de geboorte van een kind, maar weten niet zomaar hoe ze zich best opstellen. Er is geen natuurlijke kennis die ons toont hoe we met elkaar moeten omgaan. Dit zorgt voor een spontane wanverhouding. Er is een gemis aan vanzelfsprekendheid, wat leidt tot de noodzaak om uit te zoeken hoe we ons best tot elkaar kunnen verhouden. Ploeteren in het kwadraat dus.

Precies door dit hoge ploetergehalte is de band met de ander fundamenteel kwetsbaar. We moeten die verzorgen en zoeken hoe we een verbindend netwerk kunnen weven.

Personen die worstelen met een geschiedenis van verwaarlozing of misbruik hebben het op dit punt dubbel moeilijk. Nauwe contacten met anderen kunnen voor hen angstaanjagend zijn, waardoor hun kwetsbaarheid extra in de verf komt te staan. Relaties zijn niet spontaan constructief. In plaats van een verbindend netwerk kan er ook een verscheurende en kwetsende constellatie tot stand komen.

Bezorgdheid, onbegrip en macht

Wie in een acute psychose of een diepe depressie verkeert, voelt de realiteit van de wanverhouding met de ander veelal heel scherp aan. Plots lijken anderen niet meer berekenbaar en hangt er een waas van bedreiging of onbereikbaarheid over hun handelingen. Iets van de bestaande band met de ander gaat teloor.

Dit komt eveneens tot uiting in de interpersoonlijke impact van symptomen. Wie overvallen wordt door psychisch lijden is niet enkel een raadsel voor zichzelf, maar wordt ook een raadsel voor anderen. Anderen snappen niet zo goed wat er zich in je afspeelt. Op dat moment ontstaat er vaak een grote drang tot handelen. De omgeving vindt het functioneren van de lijdende persoon abnormaal. Daarom willen ze ingrijpen met de hoop om zo opnieuw orde op zaken te stellen. Degene met psychische problemen wordt op die manier onderworpen aan het regime van de bezorgde ander.

Positief aan die beweging, is dat het kan zorgen voor veiligheid. Een rustplek is zeer welkom wanneer je zelfervaring onstabiel en onveilig is. De ander kan helpen zorgen voor veiligheid en dit werkt herstellend. De chaos en het gewicht van de crisis kan er minder door worden.

De Franse geschiedkundige en filosoof Michel Foucault wees er echter op dat die onderwerping aan het regime van de ander ook een keerzijde heeft, en dat is macht. Daarbij moeten we niet enkel denken aan de machtsontplooiing die we soms zien bij gedwongen psychiatrische opnames. Foucault signaleert dat macht veel subtieler speelt. Doordat er een oordeel wordt geveld, gaat er met name macht spelen in de verhouding tussen de persoon met psychische problemen en de professional die hem of haar te hulp schiet. Dit bewerkstelligt een afhankelijke positie. Van zo’n professional verwachten we dat die weet wat er aan de hand is, evenals welke acties er moeten worden ondernomen. We vertrouwen ons toe, of worden toevertrouwd, aan zijn of haar diagnostische en therapeutische kunde.

Een gelijkaardige machtsverhouding ontstaat eveneens in dagelijkse contacten. Ook mensen uit de omgeving hebben vaak een oordeel over iemand die een psychische crisis mee- maakt, of heeft meegemaakt. Wat ze vreemd vinden aan de psychische crisis, breiden ze uit naar de volledige persoon. Niet alleen de psychische problematiek is vreemd, maar de persoon zelf is vreemd. Impliciet wordt dan gedacht dat je toch wel wat abnormaal moet zijn als je zo’n dingen meemaakt.

Stigma als barrière voor herstel

We hebben een specifiek woord voor wat dan ontstaat, met name stigma. Etymologisch verwijst stigma naar het merkteken of litteken dat vroeger met een hete pook of met een scherp voorwerp op iemands huid werd aangebracht. Wanneer je iets had mispeuterd, of tot slaaf werd gemaakt, kreeg je een dergelijke schandvlek zodat anderen zich bewust zouden zijn van je sociaal ondergeschikte rol.

Bij psychische problemen kan het oordeel van anderen werken als een stigma. Manifeste kwetsbaarheid gaat dan functioneren als iets negatief dat blijft kleven aan het beeld dat anderen van je hebben.

Typische reacties van anderen die gepaard gaan met stigma zijn: bevoogding (de ander weet het beter dan jij en dus moet je gehoorzamen), medelijden (de ander vindt je een sukkelaar) en uitsluiting (de ander wil zo min mogelijk met jou van doen hebben).

Dagelijkse interacties zijn de beste plek om die reacties te observeren. Zowel in de toon waarmee mensen met psychische problemen worden aangesproken als in de manier waarop interacties met hen vorm krijgen, zien we vaak bevoogding, medelijden en uitsluiting optreden. Hun oordeelsvermogen wordt in twijfel getrokken, men weigert halsstarrig om écht naar hen te luisteren en men verwacht vooral dat ze zich zoveel mogelijk conform de doorsnee medemens gedragen.

Herstel als relationeel machtsevenwicht

Bekeken vanuit de verhouding met de ander, is er maar sprake van herstel wanneer de interactiepatronen tussen mensen niet langer beheerst worden door stigma; wanneer anderen niet langer met jou omgaan als was je een tweederangsburger.

Vanuit de theorie van Lacan gedacht, is er geen spontane verhouding in het contact tussen mensen. Psychische problemen zetten die band verder onder spanning en doen ons nog meer beseffen hoe we ploeteren in onze onderlinge relaties. Ploeteren doen we echter altijd met twee. Precies daarom is het bedenkelijk wanneer een van de twee partijen zich van-uit een bevoogdende, medelijdende of afwijzende houding moreel boven de ander plaatst.

Wanneer kunnen we spreken van herstel in de band tussen subject en ander? Dit is wanneer er in het contact een machtsevenwicht komt, echt geluisterd kan worden en er ruimte komt voor de creatieve en inventieve manier waarop iemand zijn eigen IK 2.0-plek zoekt in het leven.

Om dit te bewerkstellingen, hebben professionals een passende ethiek nodig die hun handelen aanstuurt: een ethiek van de leegte. In ons omgaan met elkaar hebben wij vaak spontaan allerlei goede bedoelingen. Ideeën en handelwijzen die ons bevallen, leggen we graag aan anderen op. De psychoanalytische ethiek van de leegte moedigt ons aan om dat niet te doen en niet in plaats van de ander in te kleuren hoe het leven best wordt geleefd.

Besluit

Herstel is zowel een existentie-gebonden als een interactioneel proces. Om de existentie-gebonden component te duiden, vertrokken we bij de stelling dat een fundamenteel zijnstekort aan de basis ligt van onze zelfervaring. Op minstens vier punten (man of vrouw zijn; relaties; ouderschap; leven in het licht van de dood) hebben we geen spontane identiteit, wat zorgt voor een psychische kwetsbaarheid bij ons allemaal. Psychische symptomen drukken uit dat iemand beroerd raakte door existentiële uitdagingen, maar geen passend antwoord vond. Herstellen doen we wanneer we onszelf opnieuw kunnen uitvinden in verhouding tot zo’n uitdaging. Wie herstelt, vindt zichzelf opnieuw uit en creëert een IK 2.0. Creativiteit en inventiviteit zijn daarbij letterlijk van levensbelang. Willen we het herstelproces bevorderen, dan moeten we zorgen voor een helende omgeving die in functie van iemands affiniteiten het persoonlijke ploeterproces dat we allemaal doormaken effectief ondersteunt.

Herstel is ook een relationeel proces. We herstellen psychisch wanneer ook de band met de ander hersteld raakt. Psychische problemen gaan gepaard met een grote eenzaamheid. Wie ze doormaakt, snapt niet goed wat er gebeurt. Betrokken anderen doen dit veelal ook niet. Al te vaak wordt dit niet-weten afgewenteld op wie psychische problemen heeft: hij of zij is niet normaal en moet opnieuw in de pas lopen. Herstel houdt in dat stigma verdwijnt en een verbindend netwerk ontstaat waar met openheid geluisterd kan worden.

 

Stijn Vanheule

(Gepubliceerd in PSYCHE. Jaargang 30 (1), maart 2018, pp. 4-8)

 

Posted in diagnoses, herstel, Lacan, pleidooi voor kliniek, psychosen, recovery | Reacties uitgeschakeld voor Herstel als existentiële en relationele uitdaging

Open brief aan Dirk Bryssinck, laureaat Acco prijs psycholoog van het jaar 2017

Beste Dirk,
 
Dat we in een prestatiemaatschappij leven waarbij mensen hun gevoel van zelfwaarde in sterke mate samenhangt met hun gepercipieerde marktwaarde, hoef ik niet meer te vertellen. We weten dat al. Mensen gedragen zich als de marketeers van hun eigen leven. Ze hopen zichzelf en anderen de boodschap te verkopen dat ze geslaagd zijn. We willen streefdoelen halen, presteren op niveau en genieten zoals enkel kan in de glamour van onze verbeelding. Om dat te realiseren, beschouwen we onszelf en anderen als een te managen project met ‘potentials’, ‘targets’ en een ‘timing’. Echter, als onze mentale afvinklijst met verwezenlijkte targets niet zo gevuld is, worden we moedeloos. We worden zelf ‘target’ van een boemerang die in ons gezicht terugkeert. Dat hoef ik niet meer te vertellen, dat weten we al.
 
Friedrich Nietschze die wist ook iets, met name dat de mens een ziek dier is. Waar dieren met de evidentie van een instinct door het leven gaan, draait ons menselijk functioneren structureel in de soep. We ploeteren om te vinden hoe we goed kunnen leven, en best kunnen omgaan met anderen. Hoe minder we de evidenties van de maatschappij voor waar aannemen, of voor waar hebben kunnen ervaren, hoe meer we voor de opdracht staan om eigenhandig uit te zoeken op welke manier we er mee door gaan. Dit zieke-dier-gehalte – of zoals Jacques Lacan zou stellen: dit gebrek-aan-zijn – maakt ons als mens intiem kwetsbaar. Het vormt onze psychische kwetsbaarheid. Ingrijpende gebeurtenissen, of uitdagende leefomstandigheden kunnen deze kwetsbaarheid actualiseren en een wonde slaan die tot diep in onze vezels doordringt.
 
De mainstream hulpverlening biedt hierop vaak geen afdoend antwoord omdat ze zich ent op de evidenties van de maatschappij, en deze evidenties op kleinere schaal herhaalt. Mensen met psychische problemen worden dan onderwerp of voorwerp van allerlei professionele assessments. Die geven vervolgens aanleiding tot het formuleren van targets of ‘outcomes’ die we liefst zo efficiënt en effectief mogelijk bereiken. Wat dan centraal staat, is verandering of genezing in functie van een maatschappelijk ideaal van normaliteit. Groot onderhoud, nieuwe banden en terug de baan op.
Die aanpak werkt voor sommigen. Dit leidt er toe dat ze de draad opnieuw kunnen oppikken op de plek waar die hen eerder ontglipte. We weten echter ook, en ik ben blij dat jij dit sinds jaar en dag hebt aangestipt, dat die aanpak niet werkt voor een substantiële groep mensen die acuut of chronisch geconfronteerd worden met hun psychische kwetsbaarheid. Daardoor dreigen ze dubbel uit de boot te vallen: een eerste keer omdat ze hun draai niet vinden in de maatschappelijke tredmolen, en een tweede keer omdat ze de outcasts worden van de mainstream hulpverlening. Ofwel hebben ze binnen de DSM-logica meerdere diagnoses tegelijk, waardoor ze maar moeilijk een plek vinden binnen de keurig in hokjes opgedeelde zorg. Ofwel is hun probleem niet voldoende medisch of psychologisch voor de psy-werkers omdat ze vooral kampen met barre leefomstandigheden en sociaal isolement.
 
Plekken als Villa Voortman zorgen voor een alternatief; een alternatief dat maar bestaat bij gratie van de ‘ezelse’ koppigheid van sommigen om anders om te gaan met psychische kwetsbaarheid. Maar over deze karaktertrek zal ik nu niet uitweiden.
 
Het lopend doctoraatsonderzoek van Clara De Ruysscher binnen Villa Voortman leert dat een van de meest cruciale componenten van jullie werking bestaat uit het realiseren van een asielfunctie. Wellicht is dat geen verrassing. Toch iets meer daarover. De Brusselse psychoanalyticus Alfredo Zenoni maakt in zijn werk over het functioneren van instellingen een belangrijk onderscheid tussen de asielfunctie en de therapeutische functie. Meer en meer profileren GGZ initiatieven zich eenzijdig vanuit hun therapeutische functie: ze spitsen zich toe op het detecteren en verhelpen van psychische problemen. Een instelling, zo hoort men wel eens, is immers geen hotel, maar een plek waar moeilijkheden daadkrachtig worden aangepakt. Dergelijke daadkracht schrijft zich in binnen de logica van verandering of genezing in functie van een normaliteitsideaal. De asielfunctie staat daar diametraal tegenover en bestaat uit het aanbieden van vrije ruimte en tijd. Etymologisch stamt de term ‘asiel’ van het oud-Griekse woord ‘asylon’. Letterlijk betekent dat ‘vrijplaats’: het is een plek waar men niet gevat kan worden en waar men veilig is voor geweld. Een instelling realiseert deze functie als ze fungeert als toevluchtsoord waar mensen gewoon mogen ‘zijn’, waar ze veiligheid vinden tegen de onrust van de straat of andere gekmakende krachten. Een plek waar ze niet om hun oren worden geslagen met normatieve verwachtingen van buitenaf.
 
Wanneer de zorgzaamheid voor dergelijke vrijplaats wordt gecombineerd met het aanbieden van mogelijkheden tot individuele expressie en exploratie, zoals op echte ‘Villa-Voortman-momenten’ het geval is, kan iets anders ontstaan. Wat dan ontstaat, is een sociaal laboratorium en een plek voor expressie waar mensen elementen kunnen vinden of hervinden die houvast geven om te leven. Zo’n plek is zowel kwetsbaar als sterk. Ze is kwetsbaar omdat ze maar bestaat bij gratie van de ontmoetingen die hopelijk telkens opnieuw plaatsvinden; kwetsbaar omdat ze slechts functioneert in een aaneenschakeling van zorgzaam te benaderen momenten: Villa-Voortman-momenten. Daarnaast is ze ook sterk omdat ze heel concreet in haar werking toont dat de tegenstroom perspectieven tot leven biedt die de mainstream helemaal niet geeft.
 
Bedankt Dirk, om samen met alle andere bezoekers en bezielers van jullie initiatief ons te leren dat dergelijke Villa-Voortman-momenten geen pure utopie zijn. Ze bieden ons wel degelijk een houvast en een kritisch perspectief voor onze omgang met psychische kwetsbaarheid.
 
Gent, 23 mei 2017,
 
Big Hug,
 
Stijn
 
http://www.mensenkennis.be/algemene-psychologie/open-brief-aan-dirk-bryssinck-van-villa-voortman/
Posted in Lacan, medicalisering, pleidooi voor kliniek, psychosen | Tagged , , , | Reacties uitgeschakeld voor Open brief aan Dirk Bryssinck, laureaat Acco prijs psycholoog van het jaar 2017

depressiviteit beluisteren of wegslikken?

Recente cijfers van de Algemene Farmaceutische Bond over hoe de Belg antidepressiva gebruikt zijn opmerkelijk. In 1996 gingen per jaar iets meer dan 95 miljoen dagdosissen over de toonbank bij de apotheker. Twintig jaar later is dat meer dan 3 keer zoveel. In 2015 werden bijna 314 miljoen dagdosissen verkocht. Een stijging van 229% over 20 jaar tijd.

Frappant aan deze cijfers is de vrij constante toename over de jaren heen: elk jaar komen er ongeveer 11 miljoen dagdosissen bij komen. Anders gesteld: elk jaar slikken we per Belg 1 pil extra, en dat reeds 20 jaar lang.

In het Radio 1 programma ‘De wereld vandaag’ van 24 februari vertel ik aan Ruth Joos dat deze toename volgens mij geworteld is in onze manier van kijken naar depressieve ervaringen. We bekijken deze teveel vanuit een biomedische bril. Concreet wil dat zeggen dat we ons teveel richten op het louter vaststellen van symptomen (negatieve gedachten hebben over jezelf en je leven, last hebben van een sombere stemming…) en te snel denken dat deze veroorzaakt worden door een onevenwicht in de hersenen. Wie dat denkt, beschouwt antidepressiva snel als dé remedie.

Op die manier vergeten we dat depressieve ervaringen opduiken in een leven, en worden bepaald door wat in dat leven gebeurt. Ons levensparcours is hobbelig. Binnen relaties, in het gezin, op het werk of op school maken we allerlei mee dat ons tekent; gebeurtenissen waar we verstrikt kunnen in raken en die uitzichtloos kunnen lijken.

Het is veel zinvoller om depressieve klachten op die manier te benaderen: we moeten ze eerst en vooral beluisteren om zo via gesprekken manieren te vinden die helpen om aan de verstrikking te ontsnappen. Zo werken we als psychoanalytici wanneer mensen ons consulteren om een uitweg te vinden uit hun patstelling. Medicijnen kunnen (op bepaalde momenten; voor bepaalde mensen) een hulpmiddel zijn, maar wat primeert is iemands singuliere manier van in het leven staan.

Het interview met Ruth Joos is hier te beluisteren:

antidepressiva

Posted in diagnoses, interview, Lacan, medicalisering, pleidooi voor kliniek | Reacties uitgeschakeld voor depressiviteit beluisteren of wegslikken?

Van Montaigne naar de psychoanalyse en terug

Op 5 januari 2016 was ik met literatuurwetenschapper Alexander Roose (auteur van ‘De vrolijke wijsheid. Zoeken, denken en leven met Montaigne’) en met filosoof Vincent Caudron te gast bij Chantal Pattyn op radio Klara in het programma Pompidou. We spraken er over de essays van Michel de Montaigne. Ondanks hun leeftijd zijn deze nog steeds bijzonder interessant in het licht van de psychoanalyse, evenals om de moderne mens te lezen.

Hier te herbeluisteren (evenals op de site van Klara):

Montaigne

Posted in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld voor Van Montaigne naar de psychoanalyse en terug

ADHD: labels geven of het functioneren in kaart brengen?

In dit interview met Lieven Vandenhaute over ADHD en slaapproblemen binnen het programma Nieuwe Feiten (Radio 1) op 3 december 2015 zet ik uiteen waarom een label en een pil niet volstaan. Wat we nodig hebben, is een een focus op het kind en niet op de stoornis. Geval per geval, zo moeten we denken.

Posted in adhd | Reacties uitgeschakeld voor ADHD: labels geven of het functioneren in kaart brengen?