Kanaries in de leerfabriek

Welke ideologie is latent aanwezig in ons onderwijssysteem? Welk effect heeft deze op de identiteit van de kinderen die dit onderwijs doorlopen? Deze analyse richt de schijnwerpers op impliciete waarden die het onderwijs uitdraagt, misschien zelfs zonder dat te willen. Het kind is daarin een radertje in een rendementsmachine. Gelukkig zijn er alternatieven.

In het onderwijs worden tal van expliciete waarden nagestreefd, zoals respect, verdraagzaamheid of rationaliteit. We streven ernaar dat leerlingen en studenten ze integreren in hun houdingen en in hun moreel en maatschappelijk functioneren. Op dat kader richt ik me niet, wanneer ik spreek over ideologie. Ideologie zit niet enkel in de ideeën die we verkondigen, maar vooral in de handelingen. Niet in wat we zeggen, maar in wat we belijden.

Ik wil ingaan op allerlei impliciete waarden die we doorgeven. Zowel op micro- als op macroniveau bestaat de maatschappij uit uitwisselingsrelaties. Mensen handelen in relatie tot elkaar, en geven daarbij waarden door. We toetsen onszelf en anderen af aan een mensbeeld.

Niet altijd zijn we zijn ons bewust van die waarden, en precies daarom is ideologiekritiek volgens de Franse filosoof Louis Althusser zo belangrijk. We krijgen een indruk van de waarden die we indirect doorgeven langs de rituelen van ons samenleven. Die waarden bepalen voor een flink pak onze identiteit. Wie we zijn, voor elkaar en voor onszelf. Wat we vinden van onszelf en van anderen hangt samen met hoe we ons opstellen tegenover elkaar.

Mensen geven niet zozeer vanuit een waardesysteem vorm aan hun handelingen, maar de handelingen die ze stellen geven vorm aan de ideeën die ze koesteren over zichzelf en de anderen. Of zoals Blaise Pascal over momenten van geloofstwijfel schreef: “kniel en bid, en gij zult geloven.”

Psychiatriserend

Wie lang genoeg bepaalde maatschappelijke of religieuze rituelen volgt, zal ze op den duur aannemen voor waar. Zo ook in het onderwijs: via ons handelen als beleidsmaker, directeur of leerkracht geven we impliciet waarden door. Wanneer we leer- en opleidingsplannen opstellen en uitvoeren, of concreet in interactie treden met leerlingen, installeren we uitwisselingsrelaties. Deze realiseren een bepaald mensbeeld en bepalen hoe we in een volgende stap denken over onszelf en anderen.

Welk mensbeeld en welke waarden cultiveren we dan met ons onderwijssysteem? Deze vraag is niet louter een intellectuele oefening, maar laat toe om anders na te denken over de groeiende groep kinderen die niet of nauwelijks past in ons onderwijssysteem. Ik denk daarbij aan twee groepen: vroegtijdige schoolverlaters (ongeveer 16 procent van de jongeren) en kinderen over wie we snel ‘psychiatriserend’ spreken (op wier functioneren we etiketten kleven als ‘ADHD’ of een andere gedragsgerelateerde stoornis).

Er zijn duidelijke indicaties dat we de voorbije decennia heel groepen van kinderen en jongeren door een psychiatriserende bril zijn gaan bekijken. Op basis van internationale epidemiologische studies schat men in dat ongeveer 3 à 5 procent van de kinderen op klinisch niveau last heeft van onaandachtigheid en druk gedrag. Daar staat tegenover dat in bepaalde West-Vlaamse regio’s 12 procent van de kinderen ADHD-medicatie neemt.

Verschuivingen

De druk of het verlangen om dit soort medicijnen te nemen staat niet los van het onderwijssysteem waarbinnen kinderen functioneren. De voorbije decennia voltrokken zich op maatschappelijk vlak twee verschuivingen die een grote impact hebben op hoe wij denken over onderwijs, zorg en werk. Enerzijds is er een verschuiving in mensbeelden. We zijn de mens meer en meer gaan beschouwen als maakbaar wezen en als economische rendementsfactor. Anderzijds kunnen we merken dat de neoliberale ideologie, die de principes van de markteconomie op alle levensgebieden toepast, sluipend dominant geworden is.

We beginnen met de mensbeelden. De eerste verschuiving bestaat eruit dat we onszelf als maakbaar zijn gaan beschouwen. De wortels van dit denken liggen in de Verlichting, waarbij men ophield om de mens te beschouwen als een metafysisch gedetermineerd wezen. Het lichaam werd niet langer gezien als sacraal gegeven waaraan niet geraakt mocht worden; de geest werd in dezelfde beweging niet langer gezien als een met God verbonden ziel die per definitie toch niet te doorgronden is.

Descartes stelt in 1633 bijvoorbeeld dat het menselijke lichaam functioneert als een mechanisme, waarbij hij de klok gebruikt als metafoor. De klok was toen het meest complexe apparaat dat men kon maken. Ook filosoof Julien Offray de la Mettrie was een cruciale figuur in deze beweging. In 1747 bracht hij het korte essay L’homme machine uit, waarin hij stelde dat zowel het menselijke lichaam als de menselijke geest werken volgens mechanistische wetten van de natuurwetenschap.

Productiekracht

Eveneens in de achttiende eeuw deed de machine als productie-instrument zijn intrede. Zo waren er krachtmachines die op stoom werkten en arbeid overnamen van mensen, of spinmachines die meer draden tegelijk konden spinnen. Door de industriële revolutie wordt de machine veel meer dan de metafoor voor een ingenieus raderwerkje.

De machine is een productiekracht die continu geoptimaliseerd wordt. Hoe meer meerwaarde ze oplevert – dus hoe efficiënter ze is om een grondstof om te zetten in een eindproduct of in een tussenproduct – hoe sterker ze zal worden gewaardeerd. Met deze redenering zitten we volop in het kapitalistische denken zoals Marx dat schetste.

Nieuw aan het industriële tijdperk is dat de machine wordt gedacht als factor van rendement en welvaart. Dit heeft belangrijke consequenties. Vanuit de machinemetafoor worden mensen niet alleen beschouwd als wezens die functioneren volgens te beschrijven wetmatigheden, maar ook als wezens die een capaciteit tot productie incarneren. Deze productie kan leiden tot meerwaarde en is steeds een schakel binnen een ruimer productieproces.

Savoir-faire

Tegenover de idee van industriële productie staat het werk van de ambachtsman in diens atelier. Bij ambachtelijke productie staat de savoir-faire in relatie tot specifieke situaties centraal. Men doet aan maatwerk, en de nodige savoir-faire ontwikkelt men door ervaring op te doen en door te werken onder supervisie. Langs die weg leert men ‘juist’ te handelen.

Scherp gesteld is een goede houtbewerker iemand die van alle bomen uit het bos een mooi meubelstuk kan maken. Maar een machine kan enkel werken met planken van een vooraf bepaalde dikte. Een houtbewerker ontmoet zijn blok hout en zoekt er een figuur in te vinden. Het creëren van producten binnen het model van de machinale productie is echter vastgelegd in programma’s en procedures. De arbeider is uitvoerder en schakel binnen een machinaal proces.

Een ambachtsman doet meer dan uitvoeren. Hij analyseert problemen om tot oplossingen en verbeteringen te komen, en botst steeds op nieuwe problemen die zijn kunde, aandacht en inventiviteitaanspreken. Creëren is voor de ambachtsman reflecteren.

Geautomatiseerde productie leidde niet tot het verdwijnen van ambachtelijk werk, maar gaf het nieuwe vormen. Culinaire topchefs en programmeurs binnen open-softwaresystemen zijn ambachtsmensen, en dichter bij mijn werkveld zijn professoren dat ook (hopelijk). Binnen hun eigen type atelier gaat elk van hen aan de slag met grondstoffen die ze verwerken tot creatieve objecten; objecten die vormgeven aan het samenleven met anderen, maar die niet zomaar te standaardiseren zijn.

Leerfabriek

Hertaald voor het onderwijs is er een spanning tussen een ontmoetingen niet te programmeren scheppende act enerzijds, en een planmatige en gemanagede actie anderzijds. De twee sluiten elkaar niet uit, maar de balans kan naar de ene of de andere kant overhellen.

Een belangrijke evolutie aan het eind van de twintigste eeuw is dat dit mechanische en managende denkbeeld onze opvattingen over onderwijs mee bepaalt. Meer dan ooit werken we met leerplannen en leerdoelen die we met geijkte didactische methoden willen bereiken. De school en de universiteit worden dan een leerfabriek.

Dit heeft voordelen. We zijn explicieter gaan nadenken over wat we willen bereiken en over hoe we aan onderwijs willen doen. Ook kunnen we aan de buitenwereld beter aangeven wat een schoolverlater al dan niet kan en weet.

Maar deze werkwijze heeft ook nadelen. Zo appelleren we amper aan het verlangen om te leren en laten we weinig variatie toe in de trajecten die leerlingen en lesgevers doorlopen. Ook is er binnen planmatig onderwijs weinig aandacht voor ontmoetingen – tussen mensen, met een vakgebied. Of om een passie te ontwikkelen en een goesting te verwerven om te werken.

Waar ons onderwijs, en ruimer: ons maatschappelijk discours, verkondigt dat we diversiteit moeten respecteren, getuigen onze uitwisselingsrelaties vaak van het tegendeel. Ons onderwijs staat steeds meer in functie van leerdoelen en competenties die leerlingen en studenten moetenbereiken.

Ideaal

Gestandaardiseerde leerplannen impliceren een ideale leerling: de jongen of het meisje dat stil zit, aandachtig luistert, op het juiste moment interageert, en zich houdt aan alle afspraken die de lesgever formuleert. Slechts door die weg te volgen zullen de leerdoelen gehaald worden, en zal de leerling klaar zijn voor de volgende stap in het onderwijs, of ultiem voor de arbeidsmarkt.

Ook impliceren gestandaardiseerde leerplannen een ideale leerkracht. Het is iemand die ervoor zorgt dat de machine draait en alle leerlingen mee zijn. Hij is klasmanager geworden, opdat iedereen tijdig en efficiënt de nodige competenties behaalt.

De logica van dit systeem benoem ik met mijn collega Paul Verhaeghe als neoliberaal. Uiteraard is het niet zo dat onderwijsvernieuwingen expliciet vanuit het neoliberale gedachtegoed worden aangestuurd. Impliciet leidt het werk met gestandaardiseerde leerdoelen en leerplannen er echter toe dat we dit waardenkader realiseren. Ze geven een mechanisch beeld van leerling en leerproces, waarin rendement centraal staat.

Eigen aan het neoliberalisme als ideologisch waardenkader – dat vaak pretendeert geen ideologie te zijn – is dat ze mechanismen van de vrije markt toepast op alle levensgebieden. Waar in het verleden soms bloedige discussies werden gevoerd over de beste maatschappijvorm is en hoe we die kunnen bevorderen, gebeurt dat nu veel minder. “Die vraag is verdwenen onder een dwingend antwoord als gevolg van een dwingende praktijk”, stelt Verhaeghe in zijn boek Identiteit. Binnen dit kader is duidelijk wie het ideaal het meest benadert: “de man of vrouw die voor de hoogste productie zorgt”.

Competitiegeest

Rendement en productie worden binnen het marktdenken vooral bepaald op basis van onderlinge vergelijkingen tussen individuen en groepen. Kinderen vergelijken dan de cijfers op hun rapport, professoren hun publicaties, en opleidingen hun visitatierapporten. Een beetje competitiegeest kan uiteraard geen kwaad, maar wanneer men productie verheft tot het hoogste goed dreigt een en ander verloren te gaan.

Productie heeft maar zin indien er voldoende consumptie is; consumptie die vertrekt van de idee dat welzijn toeneemt door het consumeren van welvaartsproducten. Belangrijk hierbij is dat consumptie een nieuw soort psychologisch contract sluit tussen mensen. Het is gebaseerd op het principe ‘voor wat hoort wat’. Wie een nieuwe auto koopt waar bij aflevering een bluts in zit, zal weigeren te tekenen voor ontvangst. Minderwaardige exemplaren willen we niet. De act van het betalen geeft ons als consument het gevoel recht te hebben op het product dat we willen. Verkoopovereenkomsten geven ook juridische macht.

Zo wordt onderwijs meer en meer gedacht vanuit een consumentenlogica. Diploma’s worden dan een te kopen goed, eerder dan een kwestie van vorming. In die zin is het niet verwonderlijk dat ouders verontwaardigd zijn als zoon- of dochterlief niet slaagt. Wie een heel jaar school loopt, heeft toch recht om te slagen? Wie 600 of 900 euro inschrijvingsgeld betaalt en een heel jaar tijd doorbrengt in collegezalen heeft toch recht op een diploma?

Radertjes

De rol van consument plaatst ons in een passieve positie die ons ertoe brengt om te willen kopen wat we menen nodig te hebben. Uiteraard is het product dat we kopen nooit dàt, wat leidt tot nieuwe onvrede. Zo’n systeem loopt volgens de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan op wieltjes, maar het draait de mensen dol.

Precies de dolgedraaide radertjes in de machine leren ons de waarheid over de machine. We zien een groeiende groep leerlingen die afhaakt in ons onderwijssysteem of zich slechts met psychiatrische labels kan handhaven, en een grote groep van opgebrande leerkrachten die vaak ook een beroep doen op medicatie om stand te houden.

De psychiatrische diagnoses worden ondertussen veelal gesteld zonder het perspectief van het kind in rekening te brengen en zonder te kijken naar zijn inbedding. Kijk naar de criteria voor ADHD: het zijn de tegenhangers van het ideaalbeeld van de aandachtige en rustige leerling die past in het systeem. Anderen worden opmerkelijk snel beschouwd als gestoord. Diagnosen functioneren daarbij als verantwoordingen, die zouden moeten verklaren waarom iemand niet naar behoren meedraait.

Kolenmijn

Zelf heb ik verschillende keren gezien dat het gedrag van kinderen spectaculair wijzigt door ze van school of systeem te laten veranderen. Een meer project- en kindgerichte aanpak laat labels soms verdwijnen als sneeuw voor de zon. We kunnen dat kind of die jongere met zijn storend gedrag dan ook anders bekijken: als kanarie in de kolenmijn die ons iets leert over de ideologie die we al handelend reproduceren.

Vroeger namen mijnwerkers een kanarie mee onder de grond. Wanneer de kanarie stopte met fluiten, was dat een teken dat er giftige gassen vrijkwamen en dat men dringend moest evacueren. Op onze beurt kunnen we de grote groep van leerlingen met een stoornis of faalangstige studenten begrijpen als dragers van een belangrijke boodschap over het systeem waarin ze functioneren.

De groep van leerlingen met een stoornis en de afhakers uit het systeem zijn de echte ideologiecritici van onze tijd. Zij leren ons dat ons samenlevings- en onderwijssysteem neveneffecten heeft die we onvoldoende herkennen en erkennen. Misschien luisteren we te weinig naar wat zij te vertellen hebben over het systeem waarin ze moeilijk hun gading vinden. Als we ons onderwijs willen optimaliseren, moeten we misschien vooral eens ons licht opsteken bij degenen die op een of ander punt niet goed presteren.

De opgebrande leerkracht is ook zo’n kanarie in de kolenmijn. Het is vaak iemand die een degout heeft van de mallemolen, van de leerplannen, van de visitaties, van de tijdsdruk die ervoor zorgt dat er weinig ruimte is voor ongedwongen interacties met de leerling waarin een passie voor het vakgebied of voor bepaalde leerstof centraal staat.

Limieten

Bij stoornissen bij leerlingen of burn-outs bij leerkrachten, kijken we vaak te eenzijdig naar het disfunctioneren van een mens. Het krijgt echter gestalte in een context, hier die van ons onderwijssysteem. Disfunctionerende individuen getuigen in die zin van uitwassen in ons onderwijs waar we meer aandacht aan moeten besteden.

Planmatig en competentiegericht werken heeft voordelen, maar het creëert een restgroep van afhakers en uitvallers die niet meekunnen of niet meewillen. In die zin ben ik blij met de recente campagne Gun kinderen hun eigen label in Nederland. Enerzijds biedt deze een aanzet om anders te kijken naar kinderen met problemen. Anderzijds brengt het filmpje naar voor dat deze groep van kinderen belangrijke eigenschappen hebben die in ons onderwijs te weinig een plek krijgen.

De tijd is gekomen om limieten te stellen aan vaste leerpakketten die leerlingen moeten verwerven. Om in te zetten op ontmoeting. Het onderwijs moet kinderen en jongeren met veel zaken kennis laten maken en hun ruimte bieden om in functie van hun interesse een passie en creativiteit te ontwikkelen – van in de kleuterklas tot in het hoger onderwijs.

Posted in adhd, burnout, diagnoses, medicalisering | Reacties uitgeschakeld voor Kanaries in de leerfabriek

Autisme en Waanzin

Boekbespreking van “Filosofie van de waanzin” van Wouter Kusters en “Het autistische brein” van Temple Grandin in De Morgen van 11 juni 2014.

Autisme verrijkt onze cultuur

Mensen met psychische problemen gaan we vaak uit de weg. We hebben ze liever niet als vriend, buur of collega. Alsof ze ziektekiemen verspreiden die ons kunnen aantasten. Dat dat onzinnig is, betogen Wouter Kusters en Temple Grandin in twee heel verschillende boeken met een identieke boodschap.

Pas wanneer ze onder de scanner van de wetenschapper liggen, vinden we hen interessant. Vreemde hersenen, onstabiele genen, daar lezen we graag berichten over. De laatste jaren is er op dit vlak trouwens heel wat in kaart gebracht. Blijkt dat onze biologie volgens complexe patronen verbonden is met onze omgeving en langs deze weg ons functioneren bepaalt.Heel mooi, die vooruitgang, maar beantwoorden de kronkels van de menselijke geest aan hersenpatronen? Laat staan aan kruisjes op een vragenlijst? Of meer nog, helpt al die kennis om als gewone sterveling een plek te vinden in het leven?

American Psycho

In Filosofie van de waanzin stelt Wouter Kusters alvast van niet. Wouter Kusters is een Nederlandse taalkundige en filosoof die zelf twee episodes van waanzin meemaakte en daar een aantal boeken over schreef. Enerzijds belicht hij de onmenselijke manier waarop psychiatrische patiënten soms nog altijd behandeld worden. Soms krijgen ze enkel maar pillen of belanden ze al te snel in de isoleercel. Anderzijds gaat hij in op hoe het precies is om psychotisch te zijn. Deze laatste vraag staat centraal in zijn nieuwe boek. Van de biologische psychiatrie heeft Kusters geen hoge pet op. “Als we werkelijk denken dat we iemand beter begrijpen door zijn hersenen te analyseren maken we dezelfde fout als Patrick Bateman uit het serial killer-verhaal American Psycho”, stelt hij. “Bateman wil o zo graag het geheim van de vrouw leren kennen en zaagt daarom enkele exemplaren in stukken. Na jachtig graven in ingewanden begint het hem langzaam te dagen dat het innerlijk van de vrouw niet in haar binnenste te vinden is.” Kusters boodschap is duidelijk: willen we psychiatrische problemen doorgronden, dan moeten we ons niet blindstaren op het brein, maar wel ‘de ervaring’ centraal stellen.

Filosofie van de waanzin is een heel bijzonder boek dat ook in de internationale literatuur nauwelijks een tegenhanger kent. Eerst neemt Wouter Kusters de lezer rustig mee in literatuur over de waanzin. Heel fijntjes zet hij uiteen wat iemand in een psychose meemaakt: hoe denk je dan? Wat stelt de gewone wereld nog voor wanneer je in een episode van waanzin verkeert? Vragen die hij beantwoordt met behulp van inzichten van denkers, getuigenissen van lotgenoten en op basis van zijn eigen ervaringen. De notie van tijd en ruimte vervaagt in een psychose, de werkelijkheid komt op haar kop te staan. Net zoals de filosoof botst de waanzinnige op fundamentele vragen omtrent het ‘zijn’, de ‘waarheid’ of het ‘bovennatuurlijke’. Filosofie van de waanzin is niet alleen een goed filosofieboek, maar ook een unieke getuigenis over de waanzin als diep menselijke ervaring.

Gevoelig/ongevoelig

Zoals de titel Het autistische brein reeds doet vermoeden,  is Temple Grandin positiever over de neurobiologie. Temple Grandin is een Amerikaanse dame met autisme die naast haar werk als hoogleraar dierwetenschappen verschillende boeken schreef over autisme. In Het autistische brein hanteert ze twee invalshoeken. Enerzijds belicht ze wat wetenschappers intussen weten over autisme en gaat ze dieper in op hersenonderzoek en genetica. Passioneel bespreekt ze een hele reeks studies en zet ze uiteen hoe de lichamelijke hardware bij autisme vermoedelijk ineen zit. De centrale gedachte is dat het brein anders functioneert dan bij ‘normale’ personen. Daardoor zijn mensen met autisme opvallend gevoelig voor sommige prikkels, zoals andermans blik of bepaalde geluiden. Voor andere zaken, zoals impliciete sociale regels, blijven ze dan weer frappant ongevoelig. Heel mooi is dat Temple Grandin op het unieke van iedere mens focust. Terwijl het etiket ‘autisme’ impliceert dat iedereen met dit label de werkelijkheid ongeveer op dezelfde manier ervaart, geeft ze aan dat dit niet zo is. Terwijl de een heel gevoelig is voor geluiden, is de ander heel gevoelig voor aanraking. Terwijl de een heel sterk in beelden denkt, staat bij de ander het woord centraal. Geen wonder dus dat de auteur sterk ingaat tegen de DSM-5, het diagnostische etikettenhandboek van de Amerikaanse psychiatrische vereniging. Temple Grandin nodigt uit om het unieke karakter van elke persoon centraal te stellen en moedigt onderzoekers terecht aan om zich te richten op de studie van specifieke probleemervaringen. Anderzijds bespreekt ze hoe mensen met autisme de wereld ervaren. Vaak zijn het inventieve denkers die niet gehinderd worden door conventies. Terwijl anderen zich blindstaren op details, leggen zij verbanden die anderen eerst niet zien. Met tal van voorbeelden uit kunst en wetenschap toont ze aan dat het autistische denken onze cultuur verrijkt. Temple Grandins eigen academische werk illustreert deze stelling trouwens opperbest. Autistisch denken is geen ziekte, maar een variant binnen de waaier van het menselijk functioneren.

Beter luisteren

Waar Filosofie van de waanzin een doorwrochte duik in de diepte van de waanzin is, leest Het autistische brein als een tocht door het spectrum van de autistische ervaring. Twee totaal verschillende boeken die stammen uit twee totaal verschillende tradities. Temple Grandin geeft de lezer tips om beter om te gaan met autisme. Wouter Kusters daarentegen houdt zich ver van enige wijze raad en zet ons zelf aan het werk. De auteurs pleiten beiden om beter te luisteren naar mensen die psychisch anders functioneren. We kunnen van hen iets leren, zoveel is duidelijk.

Posted in diagnoses, literatuur, pleidooi voor kliniek, psychosen | Reacties uitgeschakeld voor Autisme en Waanzin

Een kind is geen label

Interview door Bieke Purnelle voor De Wereld Morgen op 14 mei 2014:

Stijn Vanheule is klinisch psycholoog en psychoanalyticus. Hij is als hoofddocent verbonden aan de Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van Universiteit Gent, en lid van de New Lacanian School. DeWereldMorgen had een gesprek met hem over een van zijn stokpaardjes: labeling, diagnosedrift en psychomedicalisering bij kinderen.

Stijn Vanheule is ook auteur van onder meer Psychose anders bekeken en Diagnosis and the DSM: A Critical Review, een boek waarin hij brandhout maakt van de DSM-5 (‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’), de nieuwe bijbel van de psychiatrie. Het handboek werd gepubliceerd door de American 
Psychiatric Association en functioneert in ons land als leidraad voor heel wat beslissingen inzake zorg. Mensen met psychische problemen, maar zonder DSM-diagnose, hebben bijvoorbeeld vaak geen recht op zorg en ondersteuning.

Daarnaast maakt hij zich met regelmaat druk over het epidemische karakter van psychiatrisering en etikettering bij kinderen.

Het aantal kinderen met een diagnose van een of andere psychische stoornis is in twintig jaar tijd met bijna 40 procent gestegen. Het gebruik van psychoactieve geneesmiddelen is zowat verdriedubbeld. Met name het gebruik van ADHD-medicatie is met 400 procent toegenomen. Zijn er zoveel meer ‘gestoorde’ kinderen in onze samenleving of is er iets anders aan de hand?

“Eerst en vooral doet de zorg te veel aan checklistdiagnostiek: diagnoses worden al te vaak gesteld op basis van eenvoudige checklists en houden geen rekening met context en ervaring. Vooral de context wordt schromelijk over het hoofd gezien, terwijl dat nu net een variabele factor is en je daar dus vrij makkelijk iets aan kan doen. Een voorbeeld: een kind functioneert niet in een bepaald onderwijssysteem of -methode en gedraagt zich onaangepast. Men verplaatst het kind naar een ander schoolsysteem en het probleemgedrag verdwijnt. Het allerbelangrijkste, namelijk in welke omgeving een kind zich ontwikkelt, wordt over het hoofd gezien in het huidige zorgbeleid. Heel wat diagnoses vertalen dus geen psychisch probleem, maar wel een mismatch tussen kind en omgeving. Bovendien is karakter of temperament hebben iets helemaal anders dan gestoord zijn.”

“Daarnaast groeien kinderen in een andere samenleving op dan twintig jaar geleden. We leven ons in een hoogtechnologische kennismaatschappij, waarin kinderen haast nonstop geprikkeld worden. Bovendien brengen onze kinderen nauwelijks nog ongesuperviseerde tijd door. Er wordt constant op hen gelet. Gewoon vrij spelen zonder dat er iemand toezicht houdt, zoals vroeger heel gewoon was, is zeldzaam geworden.”

“Ons onderwijssysteem is ook erg competentiegericht: de leerplannen en einddoelen staan centraal. Het voornaamste doel is iedereen naar die einddoelen leiden binnen een welbepaalde afgebakende tijd. Ons onderwijssysteem is niet aangepast aan de maatschappelijke veranderingen. Dat zou boven aan de prioriteitenlijst van de volgende onderwijsminister moeten staan.”

“Wanneer er over hervorming wordt gepraat, dan moet het ook gaan over hoe we met een diversiteit aan kinderen willen omgaan in de huidige en toekomstige samenleving. Onze maatschappij heeft geen brave kinderen nodig. Geef actieve en ondernemende kinderen een plek waar ze zich kunnen ontwikkelen. Besteed in de lerarenopleiding aandacht aan het leren omgaan met kinderen, ook met kinderen die afwijken van de norm.”

Heeft al die labeldrift ook een impact op hoe kinderen zich ontwikkelen?

“Wanneer je een kind een etiket opplakt, dan maak je er een stereotype van. En het werkt blamerend. Het label of het etiket werkt als een soort virtuele gevangenis. Kinderen gaan zich ook vereenzelvigen met dat label en zich ernaar gedragen (self fulfilling prophecy). Als je iemand vertelt dat je in hem gelooft, dan krijgt die persoon meer zelfvertrouwen. Maar dat werkt ook in de andere richting: als je een mens maar vaak genoeg vertelt dat hij/zij luid, bazig, grappig is, dan zal de persoon in kwestie zich ook als dusdanig gaan gedragen.”

“Er is ook nog niet onderzocht wat zo’n label doet met de ontwikkeling van kinderen. En al evenmin wat voor effect het gebruik van psychofarmaca heeft op lange termijn. We zijn zo voorzichtig en angstig met drugs, alcohol en roken wanneer het over kinderen gaat, maar over het dagelijks toedienen van medicatie aan een opgroeiend kind stellen we ons geen vragen, terwijl rilatine net zo goed een drug is, zij het een conventioneel aanvaarde.”

“Bovendien zijn er heel wat kinderen die zelf geen last ondervinden van hun gedrag, die zich prima in hun vel voelen. Toch krijgen ze probleemgedrag aangepraat. Volwassenen observeren en beoordelen kinderen. Het oordeel van het kind zelf wordt niet in beschouwing genomen. Hoe kinderen hun eigen gedrag ervaren telt niet mee. Dat is ondenkbaar bij volwassenen. In de psychiatrie geldt de regel dat je volwassenen geen diagnose mag geven als ze daar niet zelf om vragen. Het gaat eigenlijk voorbij aan de kinderrechten dat men die ervaringscomponent niet hanteert voor diagnoses bij kinderen.”

Eens een kind het etiket ADHD of ASS krijgt opgeplakt, raakt het daar nooit meer vanaf. Zijn dat soort stoornissen, gesteld dat er werkelijk sprake is van een stoornis, voor altijd?

“Labels als ADHD en ASS worden als stabiel gezien. Maar dat klopt niet. Heel wat kinderen vertonen op een gegeven moment of gedurende een periode bepaalde verschijnselen, maar die blijken te verdwijnen wanneer de context waarbinnen ze zich bewegen aangepast wordt. Zodra je de schoolomgeving of opvoedstijl verandert, verandert het gedrag.”

“Het onderzoek naar dergelijke neurobiologische stoornissen focust zich op de genetica. De symptomen worden zuiver biologisch bekeken en bestudeerd. Maar tot nader is er niets bewezen, alle onderzoek ten spijt. Het gaat nog steeds om veronderstellingen. Er is nog nooit aangetoond dat er een genetische factor bestaat die dergelijke stoornissen veroorzaakt. Er wordt voorbijgegaan aan de context. Nochtans kan je genen niet veranderen en context wel. Alleen wordt er heel wat geld verdiend met psychoactieve medicijnen.”

Vanwaar dan toch die onweerstaanbare aandrang om te meten, testen en te etiketteren?

“Men is vergeten dat statistiek eigenlijk beschrijvend bedoeld is, en niet voorschrijvend. Dat geldt voor heel wat dingen. Elke ouder kent wel de dwangbuis van groeicurven en ontwikkelingssprongen waarin de consultatiebureaus hen van bij de geboorte van hun kind proberen te wurmen. Maar kinderen ontwikkelen zich niet allemaal aan hetzelfde tempo. Als je baby niet rechtopzit tussen de leeftijd van vier en zes maanden, dan wordt er al alarm geslagen. Meestal is dat nergens voor nodig. Statistiek geeft enkel aan hoe de meerderheid zich gedraagt. Afwijkingen van die gemiddelden zijn dus geen stoornissen, maar gewoon normaal.”

Zijn er ook kinderen die wel degelijk gebaat zijn bij labels en medicatie?

“De groep kinderen die een etiket krijgen is allesbehalve een homogene groep. We hebben een aantal kinderen van dichtbij gevolgd. We zien kinderen die zelf vertellen dat ze zonder rilatine niet normaal functioneren en in de gevangenis zouden belanden. Maar andere kinderen vertellen dat hun creativiteit hen ontglipt wanneer ze medicatie slikken en dat het voornaamste positieve aspect voor hen is dat hun ouders minder boos zijn op hen. Ook opvallend: een kind dat vertelt dat rilatine onzin is want dat hij ze achterhield en dus niet innam, maar toch positieve reacties kreeg op zijn ‘verbeterde’ gedrag.”

“Het voordeel is vooral dat het niet de schuld van het kind is. Het kind is niet stout, maar ‘gestoord’. Voor mij persoonlijk wegen de nadelen echter zwaarder door: het feit dat  kinderen worden wat anderen zeggen dat ze zijn en nooit meer van dat etiket af geraken. En het feit dat de problematiek voornamelijk vanuit een neurobiologisch perspectief worden bekeken en niet vanuit de context, de omgeving van het kind. Ik denk dat het essentieel is dat we elk kind bekijken als een individu in plaats van als een label of een stoornis.”

 

Posted in burnout, interview, medicalisering, pleidooi voor kliniek | Reacties uitgeschakeld voor Een kind is geen label

Gesprek in Café Corsari: Waarom beter geen diagnostiek met de DSM-5?

Op 1 mei 2014 was ik te gast in het één programma Café Corsari voor een gesprek over de DSM-5, labeling en medicalisering. Kort geef ik ook aan wat we beter wel doen: problemen bekijken binnen hun context! Hieronder te bekijken.

Posted in diagnoses, interview, medicalisering | Reacties uitgeschakeld voor Gesprek in Café Corsari: Waarom beter geen diagnostiek met de DSM-5?

Het einde in zicht? Over diagnostiek met de DSM

 

Op 17 april 2014 verscheen naar aanleiding van mijn boek ‘Diagnosis and the DSM: A Critical Review’ in De Morgen een interview door Sofie Mulders: hier te lezen:


Stijn Vanheule geeft de strijd niet op. Toen een klein jaar geleden de ‘DSM-V’ verscheen, trok de professor psychologie (UGent) fel van leer tegen de zogenaamde bijbel van de psychiaters. Nu maakt hij met een wetenschappelijke publicatie brandhout van de betrouwbaarheid en validiteit van de DSM (‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’).”In de jaren zestig en zeventig rees de kritiek op de toenmalige manier van diagnosticeren”, start Vanheule. “Psychiaters werkten met zogenaamde prototypes: uitgebreide beschrijvingen van welke symptomen een patiënt ervaart. Tegenstanders wierpen op dat die methode tot te veel verschillende en subjectieve diagnoses zou leiden. Het werken met checklists, de methode waarop de DSM gebaseerd is, zou daarvoor een oplossing moeten bieden.”Een diagnose wordt gesteld op basis van criteria waaraan een patiënt al dan niet beantwoordt. Als u bijvoorbeeld aan zes van de tien kenmerken van depressie voldoet, dan krijgt u het label ‘depressief’. Die methode moet zorgen voor meer consistente diagnoses, volgens de opstellers van de DSM. Maar dat klopt niet.”

Manipulatie

In zijn studie toont Vanheule aan dat er nauwelijks valabele studies zijn die bewijzen dat de DSM- diagnose betrouwbaarder is geworden in vergelijking met de vroegere prototypische methode. En zo toont Vanheule aan, er zijn studies die bewijzen dat de diagnoses met het gebruik van de DSM net niét betrouwbaarder zijn geworden.”In de jaren zeventig hanteerde men erg strenge normen om de toenmalige ‘klassieke’ psychiatrie te beoordelen. Om tot de conclusie te komen dat ze niet betrouwbaar genoeg was. De DSM-methode wordt nu met veel lagere normen beoordeeld. Dat is een vorm van wetenschappelijke manipulatie. Het is misschien wat minder zichtbaar, omdat je niet echt kunt spreken van datavervalsing, maar je norm gaan aanpassen in functie van waar je wilt uitkomen, is niet bepaald wetenschappelijk.”Bovendien, zegt Vanheule, moet men zelfs met die lagere norm concluderen dat de DSM-methode iets minder betrouwbaar is dan de vroegere prototypische methode.Patiënten gedetailleerd en uitgebreid observeren, en de sociale, culturele en persoonlijke context in kaart brengen: dat moet de kern zijn van psychiatrische diagnostiek. “Bij de DSM-methode is dat daarentegen maar het sausje. Eerst moet er een diagnose komen, op basis van de checklists, en daarna kan er eventueel nog wat rekening gehouden worden met de context. Dat is een fundamenteel foute manier van diagnosticeren.”Een groot deel van de depressies, bijvoorbeeld, moet je bekijken als het samenkomen van een aantal breukvlakken in iemand zijn leven. Zo kun je te maken krijgen met een diepe ontgoocheling op een aantal vlakken in je leven, zoals je werk, je relatie, je familie, ervaringen uit het verleden. Ook migratie en trauma’s zorgen voor dergelijke breukvlakken. Om een juiste diagnose te stellen is het cruciaal om depressieve symptomen binnen die context te begrijpen, in plaats van af te vinken aan welke criteria van depressie de patiënt al dan niet beantwoordt.”Komt daarbij dat de criteria in de DSM- methode te vaag zijn, zegt Vanheule. Hij geeft het voorbeeld van een kind dat aan een aantal

kenmerken van ADHD zou beantwoorden. “Rusteloosheid, wat is dat precies? Of overbeweeglijkheid? Zulke symptomen moeten we veel juister en genuanceerder definiëren. Met andere woorden: we moeten terug naar de basics. De context begrijpen, en de symptomen gedetailleerd in kaart brengen. Dat is veel minder ambitieus dan denken dat we stoornissen duidelijk kunnen onderbrengen in categorieën. Het is ook realistischer, want het sluit veel dichter aan bij wat mensen werkelijk ervaren en voelen.”Wil je een diagnose stellen die zo goed mogelijk vat wat mensen ervaren, dan moet je dus de tijd nemen om te luisteren en te observeren, zegt Vanheule. Meteen een van de pijnpunten in de hedendaagse geestelijke gezondheidszorg: gebrek aan tijd. Tijd is geld, en vaak is het een kwestie van zoveel mogelijk mensen te zien in zo weinig mogelijk tijd, en zo snel mogelijk een diagnose te stellen.

Grijze zone

“Ben ik aan het vechten tegen windmolens? Misschien wel. Maar als je geen grondige diagnose kunt stellen, kun je ook niet tot een grondige en effectieve behandeling komen. Meer zelfs, de groep van mensen die écht een behandeling nodig heeft, komt in de verdrukking door de talrijke mensen die in een grijze zone zitten.”Er zijn wel degelijk kinderen die heel moeilijk overweg kunnen met hun eigen mentale en fysieke rusteloosheid. Maar omdat iedereen een eigen invulling geeft van die begrippen, krijg je een grote grijze zone van kinderen die ook aan ADHD zouden lijden, terwijl daar misschien heel andere factoren van invloed zijn.”Als bepaalde mensen terecht een diagnose krijgen en anderen niet, wordt het wel heel moeilijk om te begrijpen waarom bepaalde behandelingen werken of niet. En zo blijven mensen met een zware problematiek in de kou staan.”De boodschap van Vanheule is duidelijk. “Zowel aan de overheid als aan mijn collega’s zeg ik: gooi de DSM overboord. De DSM heeft decennialang gepretendeerd een betrouwbaar en valide instrument te zijn in psychiatrische diagnostiek. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat dit niet klopt. De DSM-methode zakt als een pudding in elkaar.”

Stijn Vanheule, Diagnosis and the DSM: A Critical Review, is net verschenen bij Palgrave Macmillan.

SOFIE MULDERS
© 2014 De Persgroep Publishing

 

Posted in adhd, diagnoses, medicalisering, onderzoek, pleidooi voor kliniek | Tagged | Reacties uitgeschakeld voor Het einde in zicht? Over diagnostiek met de DSM

Wat is psychotherapie?

Dit is een interview (uitgebreide versie) over psychotherapie voor het gastprogramma van de gezinsbond op Radio 1, dinsdag 4 maart 2014

Audio MP3

Posted in effectiviteitsonderzoek, interview, pleidooi voor kliniek | Reacties uitgeschakeld voor Wat is psychotherapie?

Destructiedrift zonder grenzen

Voor De Morgen van 12 februari 2014 recenseerde ik het boek “Compartimenten van vernietiging” van Abram de Swaan.

Nooit eerder las ik een boek waarin zoveel doden figureren als Compartimenten van vernietiging. Het boek is een non-fictie werk van de befaamde Nederlandse socioloog en essayist Abram de Swaan. Wie lectuur zoekt om bij te knikkebollen vlak voor het slapengaan raad ik af om te starten met deze zoektocht naar motieven voor moorddadig gedrag bij schijnbaar normale personen. Wie daarentegen een up-to-date feitenverslag wenst te lezen, dat bovendien ook nog eens goed geschreven is en accuraat ingaat op wetenschappelijke discussies, zal bij de Swaan zijn gading vinden.

Compartimenten van vernietiging gaat over massamoord en genocides. Onze geschiedenis staat bol van moorddadige acties waarbij op grote schaal systematisch hele bevolkingsgroepen werden uitgeroeid. Denk maar aan de kruisvaarten waarbij krijgsheren tijdens hun tocht naar het Heilige Land het niet nalieten om in naam van het Christendom talloze Joden en Moslims te vermoorden. Andere voorbeelden zijn de doding van zes miljoen Joden door Nazi-sympathisanten tijdens de Holocaust, of het terreurbewind binnen de Sovjet-Unie dat het leven kostte van naar schatting twintig miljoen onderdanen. Stuk voor stuk mensen die zich niet voldoende schikten naar de nukken van de gezagsdragers. Stuk voor stuk ook wrede doch goed georkestreerde acties met een duizelingwekkend dodental tot gevolg. Ik heb de teller van het aantal slachtoffers niet bijgehouden. Voor alle massacres die de Swaan bespreekt halen we zeker de droevige kaap van meer dan honderd miljoen.

Aan de ene kant leest Compartimenten van vernietiging als een geschiedkundig verslag, waarbij voornamelijk twintigste-eeuwse massamoorden de revue passeren. Naast de Holocaust en het terreurbewind in de Sovjet-Unie zijn dat onder andere de uitroeiing van miljoenen Congolezen door onze Leopold II en zijn handlangers, de genocide van Hutu’s op Tutsi’s in Rwanda, de massale uitroeiingscampagne door de Rode Khmer in Cambodja (die twee zevende van de bevolking trof), en de etnische onlusten van twintig jaar geleden in ex-Joegoslavië. De auteur beschrijft elk van deze genocides op een heldere manier. Goede stukken historische context helpen de lezer om te vatten wat precies plaatsvond. Heel fijn is dat de Swaan zich richt tot een breed publiek en tegelijkertijd ook telkens opnieuw de nuance opzoekt in de manier waarop hij rapporteert.

Daarnaast is het boek vooral ook een zoektocht naar de melange van oorzaken en aanleidingen die bepaalde bevolkingsgroepen er toe aan te zetten ‘gewone’ medemensen de dood in te jagen. Deze zoektocht vormt de ware inzet van het boek. De auteur wil doorgronden hoe het mogelijk is dat grote groepen, meestal jonge mannen, binnen een bepaald tijdsgewricht plots overgaan tot het doden van de buren waar ze eerst schijnbaar vreedzaam mee samenleefden. Op zich is dit uiteraard een bijzonder complexe en moeilijk te beantwoorden vraag, waarbij de lezer gelukkig kan terugvallen op de erudiete kennis van de Swaan. Waar de huidige academische wereld in toenemende mate te kampen heeft met verbrokkeling, en specialisten vaak slechts nog kundig lijken te zijn over de vierkante centimeter van hun eigen sub-discipline, biedt dit boek een integrerend antwoord. De auteur koppelt inzichten uit de ethologie en de sociologie, verwante vakgebieden als de psychologie en de psychoanalyse.

De kernbegrippen waar de auteur zijn betoog rond opbouwt zijn ‘compartimentalisatie’ enerzijds, en ‘identificatie’ en ‘desidentificatie’ anderzijds. Met de term compartimentalisatie verwijst de Swaan naar de tendens tot hokjesdenken waar de mens zo verlekkerd op is. Men hoeft geen groot observator te zijn om vast te stellen dat een partijtje sakkeren op de ander binnen groepen altijd zorgt voor een sfeer van collectiviteit en lichte opwinding. Blijkbaar niets zo plezant, zou men kunnen denken, dan als man eens lekker af te geven op de vrouwen, als Vlaming de Walen door het slijk te halen of zich als vrijzinnige prettig superieur te voelen ten aanzien van naïeve gelovigen. Hokjesdenken laat de mens toe om zichzelf moreel superieur te voelen.

Maatschappijen die de voedingsbodem vormden voor massamoorden en genocides cultiveerden onveranderlijk dergelijk hokjesdenken, maar hadden daarnaast ook af te rekenen met een collectief gevoel van onvrede. Hoe kan het dat in nazi-Duitsland zo vlotjes miljoenen Joden de dood werden ingejaagd? Omdat Joden jarenlang collectief bestempeld werden als profiteurs. Het waren indringers die de zuiverheid van de Duitse cultuur vertroebelden. Deze toenemende stereotypering ontstond niet in het luchtledige, maar kwam tot stand binnen een context van economische en sociale problemen. In het interbellum kampte Duitsland met grote werkloosheid en maatschappelijke instabiliteit, waar zondebokken voor gezocht werden.

Compartimentalisatie leidt tot een splitsing in het denken: het gaat om wij versus zij. Identificaties zorgen in groepen voor een wij-gevoel. Vereenzelviging met eenzelfde ideaal zorgt voor collectieve binding stelde Freud. Desidentificatie daarentegen, is het proces waarbij we de ander gaan beschouwen als iemand die op een storende manier verschilt van onszelf. Typisch voor menselijk functioneren volgens de krijtlijnen van identificatie en desidentificatie, is dat positieve eigenschappen en gebeurtenissen op het eigen conto geschreven worden, terwijl de ander beladen wordt met tonnen negativiteit. Al wat slecht is komt van de ander, terwijl we al wat goed is slechts te danken hebben aan onszelf.

De analyse in Compartimenten van vernietiging beperkt zich niet tot deze interpretatie die sterk de nadruk legt op collectieve dynamieken. Binnen genocidale regimes is niet iedereen effectief een moordenaar. Sommigen zijn vatbaarder om dader te worden dan anderen. Wat verklaart dit onderlinge verschil tussen mensen? de Swaan wijst vooral twee eigenschappen aan die stap tot moorddadigheid kunnen verkleinen. Enerzijds is dat een grotere geneigdheid bij sommigen om zich niet empathisch in te leven in anderen. Anderzijds wijst hij op de neiging om heel kritiekloos in te stemmen met autoritaire bevelen en zelf weinig standpunten in te nemen.

Compartimenten van vernietiging zal de lezer achterlaten met een zeker pessimisme over de mens en diens neiging om bij tijd en wijle – ondanks alle triomfen van de rede – toch weer de kant van de vernietiging op te gaan. Abram de Swaan is geen goeroe met een oplossing, maar een denker die ons aanzet om aantal duistere bladzijden van onze collectieve geschiedenis onder ogen te zien. Bepaalde details in het boek vond ik wat ongenuanceerd, zoals de visie van de Swaan op psychische normaliteit, maar globaal heb ik alle respect voor dit werkstuk.

 

Posted in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld voor Destructiedrift zonder grenzen

Wat heeft Kristien Hemmerechts in haar nieuwe boek te vertellen over Michelle Martin?

Onderstaand mijn bespreking van het nieuwe boek van Kristien Hemmerechts “de vrouw die de honden eten gaf”. Gepubliceerd in De Morgen van 15 januari 2014.

Toen ik las dat Kristien Hemmerechts een boek klaar had over Michelle Martin was mijn interesse meteen gewekt. De schrijfster is meter van Te Gek, het project dat zich inzet om psychiatrische problemen uit de taboesfeer te halen en, zo scheen het me toe, ideaal geplaatst om in de geest te kruipen van een vrouw waar niemand zich mee identificeert. Vroeger werden mensen met een psychiatrische problematiek beschouwd als bezetenen: wezens wiens ziel door de duivel is aangetast. Vandaag is dit gelukkig anders, maar zijn misdadigers de duivels waar onze maatschappij op neerkijkt. Liefst van al verbannen we hen naar een plek waar ze, ver weg van ons, mogen branden in het vuur van onze verontwaardiging.

Te Gek is een goed initiatief omdat het stereotiepen in vraag stelt en toont dat personen met psychiatrische problemen even menselijk zijn dan elk van ons. Op sommige momenten is hun psychisch lijden verpletterend en raken ze er op hun eentje niet meer uit, maar voor de rest worstelen ze met dezelfde demonen als ieder van ons. Sigmund Freud was degene die dit voor het eerst onderkende: door zijn eigen dromen te bestuderen kwam hij tot de conclusie dat zijn zielenroerselen niet fundamenteel anders waren die van zijn patiënten. Zelfs de psychopathologische mechanismen die hij in de kliniek observeerde herkende hij in een lichtere vorm ook bij zichzelf. Vandaar zijn besluit dat de grens tussen normaliteit en abnormaliteit bijzonder vaag is.

Ten aanzien misdadigers ligt het psychologisch veel moeilijker om niet in stereotiepen te denken. Bij snelheidsduivels lukt dat – ondanks de vele slachtoffers – misschien nog wel, maar met de daden van Dutroux en diens kompanen belanden we in een ander verhaal. De gruwel en de systematiek van hun acties stoten ons tegen de borst. Ze verwerkelijken datgene dat we normaliter zelfs onder de vorm van fictie nauwelijks verdragen. Allemaal boeiende materie voor een roman die subtiel de grenzen van onze neiging tot stereotypering verkent. Ware het niet dat ik bij het lezen van De vrouw die de honden eten gaf vooral werd overvallen door een gevoel van slaap.

Kristien Hemmerechts start het boek nochtans veel belovend met een citaat van de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt. Arendt verdiepte zich in de motieven en redeneringen van misdadigers als Adolf Eichmann. Eichmann was in de tweede wereldoorlog een van hoofdverantwoordelijken voor de uitroeiingen binnen concentratiekampen. Ontelbare joden en andere gehate bevolkingsgroepen die niet pasten binnen het derde rijk joeg hij de dood in. Arendt stelde vast dat Eichmann verrassend banaal was. Waar ze verwachtte een gestoord onmens aan te treffen, ontmoette Hannah Arendt een technocraat die een goed inzicht had in menselijke verhoudingen; een man die stelde dat hij zijn plicht deed en er naar streefde om gestelde doelstellingen zo efficiënt als mogelijk te realiseren. Met wat fantasie zou men inderdaad een link kunnen zien tussen Eichmann en Michelle Martin: twee volgelingen die zich op het moment van hun daden opvallend weinig lieten leiden door ethische overwegingen.

Inderdaad, de psychologische grens tussen misdadigheid en normaliteit is minder strikt dan menigeen zou wensen. Zo toonden psychologen als Stanley Milgram met een reeks sociaal-psychologische experimenten in de jaren zestig reeds aan dat uitzinnige gehoorzaamheid geen uitzonderlijke fenomeen is. Onder het mom dat hij het effect van straf op leerprocessen bestudeerde, liet Milgram proefpersonen een elektroshock toedienen aan een onwillige leerling. In werkelijkheid was de leerling een acteur die niet echt stroomstoten toegediend kreeg. Wel reageerde hij net alsof de elektroshocks echt waren. Milgram stelde vast dat de meerderheid van de proefpersonen zich opvallend inschikkelijk opstelde wanneer de proefleider instructies gaf om de leerling extreem hoge stroomstoten toe te dienen. Ondanks het gejammer van de acteur gaven de meeste deelnemers dodelijke schokken tot 450 volt. Over de psychologie van extreme volgzaamheid is het laatste woord nog niet gezegd. Blijkbaar zijn we meer vatbaar voor misdadige suggestie dan we graag toegeven. Echter, wie graag inzicht zou krijgen in subjectieve effecten van misdadige gehoorzaamheid en zou willen weten hoe iemand die zich liet meeslepen nadien terugkijkt op de eigen daden, kan zich dit boek beter naast zich neer leggen.

Desalniettemin wil ik het nog even even over de inhoud hebben. De vrouw die de honden eten gaf is een monoloog die ons binnenleidt in de gedachten van Odette, alias Michelle Martin. Het hoofdpersonage blikt er terug op haar relatie met Dutroux, familieverhoudingen, moederschap en de misdaden van haarzelf en van anderen. De schrijfster slaagt er evenwel niet in om van haar hoofdpersonage – ‘de meest gehate vrouw van België’, zo leren we – een mens te maken. Het boek biedt geen overtuigend portret maar leest daarentegen als een aaneenschakeling van platitudes. Hemmerechts maakt van Martin een zwakke vrouw die slechts aan het juk van haar depressieve moeder kon ontsnappen door de ‘gratis pute’ van Dutroux te worden. De schrijfster serveert daarbij een aantal gortige details, maar overtuigen doet ze nooit. Geen mens maar een onmens, zo lijkt de boodschap te zijn. Toen Dutroux in de gevangenis zat gaf Odette de honden wel te eten, maar de jonge meisjes in de kelder liet ze doodgaan. Meer nog, om vervroegd vrij te komen papt ze aan met de nonnen, heeft ze gesprekken met een psychotherapeute en vervoegde ze het katholieke geloof: allemaal oppervlakkige vleugjes mensachtig gedrag die de vermeende beestachtigheid van Michelle Martin verhullen.

Tijdens het lezen van het vroeg ik me meermaals af waar Hemmerechts eigenlijk naar toe wil met deze oppervlakkige karakterschets, die stylistisch trouwens niet al te best in elkaar steekt: Nog meer morele verontwaardiging creëren over Michelle Martin? Bewijzen dat iemand als Martin alle haat verdient die ze over zich heen krijgt? Suggereren dat misdadigers toch echt wel een ander soort mensen vormen? Allemaal vragen die me vrij snel tot de conclusie brachten dat de schrijfster haar kostbare tijd beter anders had besteed. Hemmerechts maakt van de misdaad een taboe. Door Michelle Martin te verbeestelijken speelt ze in op de aversie van de lezer, maar sluit ze de deur voor meer diepgaande vragen over hoe een mens zich kan verhouden tot zijn misdaden. Gelukkig kunnen we binnen dit genre teruggrijpen naar betere werken, zoals als De maagd Marino van Yves Petry, die tonen dat het inderdaad anders kan.

Posted in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld voor Wat heeft Kristien Hemmerechts in haar nieuwe boek te vertellen over Michelle Martin?

Mag men fictie schrijven over misdadigers?

Dit is een stuk uit De Morgen van 7 januari 2014, waarin ik naar aanleiding van het boek over Michelle Martin van Kristien Hemmerechts inga op de vraag of men fictie mag schrijven over misdadigers :

De nieuwe Hemmerechts, De vrouw die de honden eten gaf, ligt nog niet in de winkel maar zorgt al voor deining. Het is dan ook een monoloog vanuit het standpunt van Michelle Martin. Paul Marchal, vader van Dutrouxslachtoffer An, is ontzet. ‘Begrijpelijk. Al is dit soort fictie ook belangrijk’, zegt psycholoog Stijn Vanheule.

“Ik zal nooit begrijpen waarom iemand deze verguisde vrouw verdedigt”, reageert Paul Marchal in Het Laatste Nieuws op de nakende publicatie (21 januari) van de nieuwe Hemmerechts. De vader van An aanvaardt niet dat de schrijfster een poging zou ondernemen om “een menselijke kant in Martin te vinden”.Zelf preciseert de schrijfster haar bedoelingen als volgt: “Terwijl ik de krantenartikelen las die beschreven hoe Martin de twee meisjes die haar man in zijn kelder had opgesloten niet had gered, probeerde ik me voor te stellen wat er in haar omging.De vrouw die de honden eten gaf is geen verdediging of rechtvaardiging, wel een poging om de gruwelijke gebeurtenissen te reconstrueren vanuit haar standpunt.”Volgens klinisch psycholoog Stijn Vanheule, hoofddocent psychodiagnostiek en psychoanalyse (UGent), kan zo’n soort fictie een maatschappelijk positieve rol vervullen. “Het is eigen aan mensen dat we de grenzen van het ondenkbare aftasten. Iedereen wil begrijpen hoe Martin dit heeft kunnen doen. Dat een schrijver zo’n poging onderneemt, kan juiste conclusies opleveren. Bijvoorbeeld over de psychologie van extreme gehoorzaamheid, zoals Hemmerechts dat doet. Andere voorbeelden zijn Medea (Grieks drama over een vrouw die haar kinderen vermoordt), Let’s Talk about Kevin, (de moeder van een massamoordenaar poogt haar zoon te begrijpen) en De Maagd Marino (roman van Yves Petry gebaseerd op een man die zijn vriend doodde en opat). Die werken hebben nut omdat ze ons

laten zien hoe iemand kan ontsporen.”Maar het wordt hier gezien als de dader ‘vermenselijken’.Stijn Vanheule: “De dader is hoe dan ook een mens. Een schrijver heeft twee opties: stereotypering van ‘het monster’ of nuancering. Meneer Marchal is bang voor dat laatste en hij is daarin niet alleen. We willen niet dat er inzicht en dus ‘begrip’ voor Martin komt want het meest schrikwekkende zou zijn dat ze een redelijk normale geest zou blijken te hebben, ook al is het slechts in de fantasie van een schrijver. Die angst voor de banaliteit van het kwaad is zeer menselijk.”U hebt het werk wel al gelezen. Is Marchals reactie terecht?”Ik kan daar nog niet veel over zeggen. Maar het zou wel eens kunnen dat zijn vrees voor een vergoelijkend portret ongegrond is. Maar zijn voorbarige reactie is wel begrijpelijk, ook al omdat het boek zo snel na de feiten komt. Deze wonden zijn nog heel vers.”Wat zijn de valkuilen van dit soort boeken?”De beste voorbeelden vervallen niet in één van de twee extremen: stereotypering of vergoelijking. Daar is zeer veel kennis, inlevingsvermogen en inzicht in het functioneren van de menselijke geest voor nodig. Vertellen wat zo iemand drijft, vergt doorgedreven research, dicht op de huid van die werkelijke persoon. In dat opzicht is Hemmerechts boek wat verwarrend omdat Martin hier ‘Odette’ heet, terwijl iedereen weet dat het over Martin gaat. Het is evenmin gebaseerd op gesprekken met haar. Dat zijn geen bezwaren, maar het maakt de taak van de schrijver nog complexer. In die zin begeeft Hemmerechts zich op glad ijs en het is aan haar om de gevolgen, zoals de reacties van de slachtoffers, op zich te nemen.”Het lijkt wel alsof de publicatie het oordeel over Martin herbekijkt.”Dat is een klassieke fout en inderdaad een mogelijke verklaring voor ontzette reacties. Het is een problematische flater om psychologisch inzicht in een dader te verwarren met verontschuldiging. Het is niet omdat misdadig gedrag, al dan niet in een roman of in een verslag van een gerechtspsychiater, psychologisch te verklaren is, dat het ook maatschappelijk aanvaardbaar is. Ik hoop dat ook slachtoffers die zich ongemakkelijk voelen bij dit goed zien dat een verklaring zeer interessant kan zijn om iets te leren over de menselijke geest, maar dat het nooit een verontschuldiging is en volledig losstaat van de schuldvraag. Hemmerechts trapt niet in die val.”

BARBARA DEBUSSCHERE
© 2014 De Persgroep Publishing

Posted in literatuur | Reacties uitgeschakeld voor Mag men fictie schrijven over misdadigers?